Het recht van Karadzic

Nu Radovan Karadzic in Scheveningen vastzit, breekt eindelijk de tijd van de juridische waarheid aan. Het in brede kring reeds gevelde morele oordeel kan nu in een formeel vonnis zijn neerslag krijgen.

Deze nieuwe fase wordt niet eenvoudig. In het proces gaat het immers om aantoonbare schuld. Hij wordt weliswaar beschuldigd van het zwaarst denkbare – genocide en medeplichtigheid daaraan – maar dat moet wel worden bewezen. Hetzelfde geldt voor de misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden waarvoor Karadzic is aangeklaagd.

De aanklacht tegen Karadzic lijkt op die tegen de ex-president van Servië, Slobodan Milosevic. Ook toen ging het erom of en in welke mate hij verantwoordelijkheid droeg: om de vraag of Milosevic direct opdracht had gegeven tot genocide en andere misdrijven dan wel zijn onderschikten indirect had laten begaan.

Vermoedelijk is de bewijsvoering in de zaak tegen Karadzic minder gecompliceerd. De kans is reëel dat er een smoking gun kan worden gevonden. Karadzic zat er als president van Republika Srpska met zijn neus bovenop. Thuis in Pale kon hij de terreurbeschietingen van Sarajevo met eigen ogen zien. Hij heeft in woord en geschrift ook geen geheim gemaakt van zijn intenties. Bovendien is er door het Joegoslavië-tribunaal intussen de nodige jurisprudentie opgebouwd.

Maar het proces tegen Karadzic moet, anders dan de zaak tegen wijlen Milosevic, wel in redelijk hoog tempo worden gevoerd. En ook zonder dan dit ten koste gaat van de zorgvuldigheid.

Karadzic moet zich uiteraard naar eigen goeddunken kunnen verdedigen. Dat zal ter zitting niet altijd een frisse aanblik geven. Maar dit recht van de verdachte is onlosmakelijk verbonden met het recht dat uiteindelijk zal worden gesproken.

Tegelijkertijd moet de verdediging zo min mogelijk alibi’s krijgen om de zaak te vertragen. Eindeloze procedures over de procedure zijn niet alleen krenkend voor de slachtoffers, maar frustreren ook de loop van het recht. „Justice delayed is justice denied”, zoals oud-rechter Kooijmans bij het Internationaal Gerechtshof, vorige week nog in NRC Handelsblad schreef.

Hoofdaanklager Brammertz kan een belangrijke rol spelen om dat te voorkomen. De huidige aanklacht is in april 2000 opgesteld door zijn voorganger Del Ponte. Brammertz moet nu de verleiding weerstaan om de dagvaarding verder op te tuigen, zelfs als daarvoor strikt genomen aanleiding is.

Dat brengt het risico met zich mee dat sommige slachtoffers zich genegeerd zullen voelen. Want waarom zou een oorlogsmisdrijf in de ene plaats zwaarder wegen dan eenzelfde misdaad elders? Toch is, hoe kil het ook lijkt, rationaliteit geboden. De zaak-Milosevic is geen goed voorbeeld. Door zijn ontijdige dood is het morele oordeel over de daden van Milosevic nooit vervolmaakt door een juridisch vonnis.

Herhaling daarvan zou iedereen duperen, de verdachte maar ook de slachtoffers, die meer dan wie ook recht hebben op waarheid en genoegdoening.