Een waarheid die actueel bleef

’t Is erg verleidelijk elke week over Obama te schrijven, maar België ligt dichter bij huis, al is dit onderwerp voor sommigen misschien minder inspirerend. Toch heeft de eeuwigdurende crisis in dit land mij doen denken aan Amerika, meer in het bijzonder: aan de verhouding van dat land tot Europa, zoals daar over gedacht werd in de jaren zestig van de vorige eeuw.

Evenals nu waren Europa – althans de meeste landen van West-Europa – en de Verenigde Staten bondgenoten, en evenals nu klonken er stemmen uit Europa die wilden dat de Europeanen meer stemrecht zouden krijgen in de bepaling van het Atlantisch beleid, dat wel erg door de Amerikaanse hegemoon werd beheerst.

Om hieraan tegemoet te komen sprak president Kennedy zich in een rede te Philadelphia op 4 juli 1962 – Onafhankelijkheidsdag – uit voor een deelgenootschap met een verenigd Europa, waarin Europa een partner zou zijn „met wie wij op grondslag van volledige gelijkheid kunnen handelen over alle grote en zware taken die te maken hebben met de opbouw en de verdediging van een gemeenschap van vrije naties”.

President Kennedy verklaarde dat de Verenigde Staten klaar waren voor een „Verklaring van Onderlinge Afhankelijkheid” (Declaration of Interdependence). Hiermee onderschreef hij een theorie die toen gangbaar was en de naam droeg van de ‘halterconceptie’. De halter is in de gymnastiek een staaf met aan weerszijden even zware kogels of schijven. In die theorie nu zou Amerika de ene en Europa de andere van die twee kogels of schijven moeten zijn.

Maar voordat er sprake zou kunnen zijn van een Amerikaans-Europese samenwerking die aan die conceptie beantwoordde, zou Europa eerst een „meer volmaakte unie” moeten worden dan het op dat ogenblik nog was. Met andere woorden: Europa zou niet alleen economisch, maar ook politiek verenigd moeten zijn, dus met één stem moeten spreken. Hoe mooi die conceptie ook was, ik had er toen nogal wat bedenkingen tegen. In de eerste plaats zou het nog een hele tijd duren voordat Europa met één stem zou spreken (generaal de Gaulle, die niets moest hebben van verlies van nationale soevereiniteit, was net aan de macht gekomen in Frankrijk). Ook vroeg ik mij af of Washington, dat zich kort tevoren laatdunkend had uitgelaten over de Britse en Franse kernmachten als verouderd en gevaarlijk, zijn „volledig gelijke” Europese partner wél een kernmacht zou gunnen.

En zo waren er meer bezwaren. Maar het voornaamste bezwaar was wel dat een gemeenschap van twee gelijke staatkundige eenheden, zoals Kennedy voor ogen stond, oneindig minder compromismogelijkheden oplevert dan een gemeenschap van meer partners, omdat in een twee-eenheid de tegenstellingen meer de neiging krijgen zich te kristalliseren dan in een veelheid van eenheden, waarin talloze combinaties mogelijk zijn.

Er zijn in de geschiedenis dan ook weinig voorbeelden van een succesrijke federatie van twee min of meer gelijke machten – zeker niet wanneer zij democratieën zijn. De twee blokkeren elkaar. Voor een enigszins goedlopende federatie zijn er op z’n minst drie deelnemers nodig, liefst meer.

Zulke concepties als de haltertheorie, waarvan de geldigheid toen al kwestieus was (hoewel oud-minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo er nog lang in geloofd heeft), hebben nu alle actualiteit verloren. Het einde van de Koude Oorlog heeft de verhoudingen binnen Europa, maar ook binnen de Amerikaans-Europese samenwerking, fundamenteel veranderd. Alleen wie in geschiedenis geïnteresseerd is, heeft er plezier in in die oude doos te snuffelen.

Toch blijft de waarheid actueel dat federaties van twee ongeveer even gelijke eenheden – of van eenheden die gelijke rechten hebben – tot stagnatie gedoemd zijn. Dat wordt vandaag gedemonstreerd aan het voorbeeld van de Belgische federatie, waarin Vlaanderen en Wallonië ieder een veto hebben – een recept voor mislukking.

Terugkeer tot de eenheidsstaat is onmogelijk. Het merkwaardige is dat Franssprekenden daar nog wel naar terugverlangen. Maar ze hebben dan heimwee naar het België waarin zij het voor het zeggen hadden. Dat komt niet terug. Nu zouden in een eenheidsstaat de Vlamingen de lakens uitdelen op grond van hun meerderheid. Een democratische ontwikkeling dus.

Dat moeten we op zichzelf toejuichen (wat door Nederlanders veel te weinig gedaan wordt waar het Vlaanderen betreft). Maar de macht van de democratie heeft ook bezwaren. „Bepaalde beslissingen die op zichzelf heilzaam en goed zijn, kunnen door de macht van het volk praktisch niet meer genomen worden”, zegt de historicus F. Ankersmit in Trouw van 23 juli. Zie de Franse, Nederlandse en Ierse referenda over Europa, zie België. In elk geval is het raadzaam dat Nederland goed in de gaten houdt welke machtsverschuivingen zich aan zijn zuidgrens voltrekken. In onze mini-omgeving zijn die even belangrijk als de machtsverschuivingen die zich de laatste twee decennia op Europese en op wereldschaal hebben voorgedaan, en zich nog voordoen.

Wilt u reageren? Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl of neem deel aan de discussie op nrc.nl/heldring