Cruciaal: de houding

Binnenkort beginnen de Olympische Spelen in Peking.

nrc.next-redacteuren testen hun sporttalent. Kunnen ze – met wat training – meedoen aan de Spelen in 2012?

„Handboogsport is als yoga. Je moet het lichaam ondergeschikt maken aan de wil.” Piet Blanker (72), mijn trainer, gelooft dat iedereen met aanleg kans maakt om aan de top te komen.

Ik ben bij zijn handboogvereniging R.I.S. ’98 in Rotterdam waar overal pijlen en bogen aan de muur hangen. „Stap één is voor de spiegel staan met een pijl en boog in je handen. Dit is om je houding te bekijken, heel belangrijk bij het boogschieten.” De boog die ik in handen krijg, voelt zwaar aan. Het is een recurveboog (met gebogen uiteinden) en weegt 7,5 kilo. Nog niets vergeleken met de bogen die ze gebruiken op de Olympische Spelen, die rond de 20 kilo zijn.

Piet Blanker kan het weten, hij heeft als boogschutter meegedaan aan de Paralympics. „Ik was oorspronkelijk turner. Maar op het Nederlands Kampioenschap turnen in 1960 brak ik mijn nek. Tijdens mijn revalidatie ben ik eerst begonnen aan rolstoelbasketbal en tafeltennis voordat ik terecht kwam bij de handboogsport.”

Ik probeer het tienstappenplan dat naast de spiegel hangt, in praktijk te brengen. Tot stap vier gaat het goed. De voetenstand, de vingerplaatsing en het plaatsen van mijn booghand gaan makkelijk. Maar dan moet ik mijn boogarm strekken en mijn elleboog draaien in een stand die hij niet gewend is. De rest van de training zal Blanker regelmatig roepen: „Elleboog draaien!” Volgens mijn trainer moeten alle stappen een vloeiende beweging worden en moet het lossen van de pijl maximaal drie seconden duren. „Anders pleeg je roofbouw op je eigen lichaam. Ja, wat denk je, in een wedstrijd heb je 140 pijlen te schieten met een boog van 20 kilo!”

Topsporters trainen niet voor de spiegel maar met camera’s. Om te zien of ze de juiste houding hebben. Ook hebben ze een mental coach ter beschikking om de concentratie te trainen. Hoe anders was dat toen Tiny Reniers (60) voor Nederland uitkwam op de Olympische Spelen. De oud-schutter werd vijfde op de Spelen in 1988 in Seoul. „De begeleiding was toen amateuristisch, ik heb veel zelf uit moeten zoeken.” Nu is hij touringcarchauffeur en schiet hij alleen als hij zin heeft. Ik vraag Reniers wat ik allemaal moet hebben om ook de vijfde plek te kunnen veroveren. „Je moet aanleg hebben en minimaal zes uur per dag trainen. En natuurlijk een sponsor zoeken, want de spullen kosten wat. Je moet trainen op techniek, lichaamshouding en concentratie. Ga in het donker schieten, dan voel je je spieren beter.”

Mooi, ik hoor niets over conditietraining. Het klopt dus dat boogschieten een van de makkelijkere sporten is. Reniers verbetert mij. „Je hebt wel degelijk een goede conditie nodig en een lagere hartslag dan normaal. De kunst is om op de maat van je hartslag te schieten, net tussen de kloppen in. Als je je goed concentreert lukt dat wel. En wat voor mij heel erg hielp is visualiseren. Ik keek naar mezelf als ik goed gespeeld had, ik hield dat beeld vast en riep het op vlak voordat ik schoot. En countrymuziek. Countrymuziek hielp mij te ontspannen tussen de wedstrijden door.”

Blanker, mijn trainer, laat een blazoen (de schietschijf) plaatsen en ik mag mijn eerste pijlen afschieten. Mijn wil opleggen aan mijn lichaam blijkt erg moeilijk. Op het moment dat de trainer ‘los’ roept en ik dus de pijl moet lossen kan ik mijn vingers niet bewegen. Als het dan een paar seconden later toch lukt, kom ik niet eens in de buurt van de buitenste cirkel. Twee uur training later (en gelukkig geen druppel zweet verder) zijn mijn pijlen nog altijd te ver uit elkaar om te kunnen spreken van een goede score. Hij ziet de wanhoop in mijn ogen en stelt mij gerust. „Ach joh, ik heb jongetjes gehad die na een les huilend de vereniging uitrenden.”