Corruptiegeur werd beroepspoliticus te sterk

Premier Olmert van Israël verlaat in september de politiek. Het aantal schandalen waarbij hij betrokken zou zijn, werd simpelweg te veel.

Een minister-president staat niet boven de wet, zei de Israëlische premier Ehud Olmert gisteren op een persconferentie. „Maar hij staat er ook niet onder.” De uitspraak typeert hoe Olmert zichzelf beschouwt: een eenzaam slachtoffer. Ten onrechte beschadigd en vernederd door politieke hyena’s en een op hol geslagen politieonderzoek.

Ehud Olmert kondigde gisteravond aan binnenkort terug te treden als minister-president. Aanhoudende beschuldigingen over financieel wangedrag hebben hem het werk onmogelijk gemaakt. Als in september een nieuwe partijleider voor zijn partij Kadima is gekozen, zal hij opstappen. Hij stelt zich niet verkiesbaar voor het leiderschap. Dat hij naar alle waarschijnlijkheid zijn termijn niet zal afmaken, is voor niemand een verrassing. Het aantal schandalen waarbij hij betrokken is geraakt, is simpelweg te veel voor een politicus. En zo vertrekt Olmert zoals hij gekomen is: te vroeg.

Ehud Olmert (1945) is vanaf het begin van zijn carrière een beroepspoliticus geweest, een man die zich erop liet voorstaan dat hij zich niet liet leiden door ideologie of brede vergezichten – zaken waar je als politicus alleen maar last van hebt. Olmert deed twee pogingen het leiderschap van de rechtse Likud-partij te veroveren. Hij verloor eerst van Benjamin Netanyahu en later van oud-generaal Ariel Sharon. Hij besloot loyaal te blijven aan Sharon, ook toen die in 2001 aankondigde dat Israël sommige nederzettingen in bezet gebied moest ontmantelen om vrede met de Palestijnen dichterbij te brengen.

Olmert volgde Sharon naar de in 2005 opgerichte partij Kadima (Vooruit). Die partij won de verkiezingen glansrijk. Per toeval werd het premierschap Olmert al snel in de schoot geworpen. Sharon kreeg in januari 2006 een hersenbloeding en ligt tot vandaag in coma.

Olmert moest een partij leiden die, geheel in zijn eigen stijl, wars was van tradities en ideologie. In feite is Kadima nog steeds een verzameling individuen, links, rechts, seculier en gelovig, die zich schaarde rondom Ariel Sharon. Zijn grootste tegenstanders bevonden zich in zijn eigen partij. Minister Tzipi Livni van Buitenlandse Zaken, die Olmert graag wil opvolgen als premier, gebruikte iedere gelegenheid om Olmert tot aftreden op te roepen. Ook minister Shaul Mofaz (Verkeer) deed in het openbaar denigrerende uitspraken over de premier. De strijd met de Likud-partij van Netanyahu kreeg vaak een sterk persoonlijk karakter: de premier en de oppositieleider hebben elkaar sinds hun Likud-tijd dwarsgezeten.

Opiniepeilingen lieten zien dat Olmert nooit het vertrouwen van de kiezer heeft gekregen. Aan de andere kant: Olmert riep ook niet het emotionele verzet op dat voorgangers als Sharon, Netanyahu en Rabin wel ten deel viel. De premier weet dat hij op nationaal gevoelige thema’s de kool en de geit moet sparen om te overleven. De kolonistenbeweging, die grote mensenmassa’s op de been kan brengen, is vrijwel met rust gelaten. Doorbraken op diplomatiek gebied zijn nauwelijks te melden, of het moet Olmerts vaak herhaalde slogan zijn dat vrede met de Palestijnen in 2008 „echt mogelijk is”.

In de zomer van 2006 beging Ehud Olmert de enige roekeloze daad uit zijn premierschap: hij begon een oorlog tegen Libanon, nadat Hezbollah-strijders twee soldaten aan de grens hadden gekidnapt. Een maand lang bombardeerde de Israëlische luchtmacht het buurland, met meer dan duizend doden als gevolg. De twee soldaten kwamen niet terug, Hezbollah riep zichzelf uit tot winnaar van de oorlog en tot vandaag is de oorlog een gevoelig onderwerp in Israël. Een commissie onder leiding van oud-rechter Winograd somde in januari een serie politieke en militaire blunders op. Voor partijgenoot Tzipi Livni reden om openlijk op Olmerts aftreden te aan te dringen, maar de premier bleef, beschadigd, zitten. Politieke waarnemers kondigden keer op keer aan dat het aftreden van Olmert nu wel heel nabij was. Maar ondanks de vrijwel unanieme tegenstand bleef Olmert zitten.

De geur van corruptie achtervolgt Olmert al sinds de jaren negentig, toen hij burgemeester van Jeruzalem was. Dit jaar kwam een serie onthullingen over betalingen aan Olmert door de Amerikaans-joodse zakenman Morris Talansky aan het licht kwam. Olmert ontkende en zei dat er een hetze tegen hem werd gevoerd. Politieke tegenstanders zouden hem willen wegkrijgen. Hij is immers een premier die resultaten behaalt, zei hij gisteren: een groeiende economie, nauwelijks terreuraanslagen, diplomatieke successen.

De laatste weken werden steeds meer resultaten van onderzoeken van politie en justitie naar de buitenwereld gelekt. Olmert zou sinds de jaren negentig enveloppen met contant geld, en soms dure sigaren, van Talansky hebben gekregen. Deze maand kwam er nog een nieuwe beschuldiging bij: Olmert zou buitenlandse reizen van hem en zijn familie dubbel hebben gedeclareerd via een privé-reisbureau. Charitatieve instellingen, zoals Holocaustinstituut Yad Vashem, zouden daarbij zijn benadeeld. Olmert ontkent dat hij iets verkeerd heeft gedaan. Vrijdag wordt hij weer op het politiebureau verwacht.

Olmerts belangrijkste verdediging was altijd dat hij onmisbaar is in het vredesproces met de Palestijnen en de omringende Arabische landen. De premier praat nog altijd met de Palestijnse president Mahmoud Abbas over een definitieve vredesregeling, al is er na twee jaar nog geen doorbraak. Ook begon hij vredesgesprekken met buurland Syrië en steunde hij een staakt-het-vuren met Hamas. De twee belangrijkste kandidaten voor Olmerts opvolging, Livni en Mofaz, laten beide doorschemeren dat ze straks graag met Likud gaan regeren. Likud-leider Netanyahu, overigens ook een favoriet voor het premierschap, is tegen deze onderhandelingen.