Bouwmaterialen

Een Japanner op het pleintje hier, ’t is je reinste futurisme. Het dorp moet als puntje bij paaltje komt nog wennen aan koelkasten, scheerapparaten en autoradio’s. Een Japanner is een stap te ver.

Er bestaan wel meerdere werelden in het dorp, maar het zijn werelden van vroeger. Werelden die zich voortslepen en aan het verbrokkelen zijn. Soms lijkt het of de tijd hier heeft stilgestaan – ezels en karrenwielen schuiven langs een granieten muur – maar die traagheid is schijn. In werkelijkheid bestaan er werelden door elkaar, allemaal zo oud en moe door het razen van hun myriaden partikels en zo ingedikt dat alles onbeweeglijk lijkt.

Hier komt een steentje neer dat honderden jaren geleden door een jongetje werd weggeschopt. Daar hangt een olijftak boven de deur, door een sibille van een duizendjarige boom geplukt. Honderden jaren zijn maar een moment.

De oude werelden verbleken, maar ze zijn nooit echt verdwenen. Alles droeg bij aan de situatie van nu. De geografische afzondering, de politieke behoudzucht, de mentaliteit van achteruit wandelen en vertragingstactieken.

De laatste oorlog was die met Spanje, in zestienhonderd-zoveel. De Eerste en Tweede Wereldoorlog tellen niet mee. In de eerste stuurden de Portugezen een symbolisch troepje naar de loopgraven in Vlaanderen, in de tweede bleven ze praktisch neutraal, met Lissabon als recreatieoord voor de spionnen van alle partijen.

De koloniale oorlog trof alleen de sukkels die in de tropen waren blijven plakken.

Aangevreten hersens, maar nooit binnenlandse hersens.

Stel je voor, een land met eeuwenlang geen oorlog. Het maakt vadsig en narcistisch. In het collectieve geheugen is alles oranje met een gouden randje. Het verleden lonkt. Huis en haard, vaderland en vlag hebben nog een reputatie te verliezen.

’t Is minder somber dan ik het hier schilder. De wereld van de stramme generaals en versteende landeigenaren is maar één wereldje. En de overige werelden vormen niet de voortzetting van clubjes boeren, jagers en andere wilden, knotsdragers in beestenvellen, maar van verfijnde samenlevingen.

Arabisch, Romeins.

De dorpelingen praten over hun via romana of ze het over de Heilige Maagdweg hebben. Flinke delen van die weg zijn nog begaanbaar, met aarden wallen die van elke schapendrijver een Ben Hur maken. De Romeinse weg is geen afgestofte bezienswaardigheid, ze is er altijd geweest.

De Arabieren waren er tot zeker de tiende eeuw. Dat is tot gisteren, als je maar langzaam genoeg leeft. Uit het noordelijk raam van mijn kamer kijk ik uit op Lourosa, waar een mozarabisch kerkje uit dat tijdperk staat. ’t Is een bescheiden kerkje, maar het staat er.

Naar het zuiden kijk ik uit op de Colcorinho, de heuvel waarop ooit een Romeins tempeltje stond, een maantempeltje. Nu bevindt zich daar een kapelletje. Door het afbladderen van de muren kwamen de klassieke zuiltjes bloot te liggen waarmee het kapelletje werd gebouwd.

Eens in het jaar is er een processie waarbij de vrouwen platte broden op hun hoofd dragen. Platte broden met korenaren. Bij mijn beste weten is dat niet braaf christelijk. Ik zou zweren dat er een heidens luchtje aan zit. Aan Ceres gewijde maagden met broden op hun hoofd, dat klinkt al beter.

Het kleed van de tijd is bespikkeld met Arabische rudimenten en Romeinse allusies. De geest van de dorpelingen niet minder.

Gerrit Komrij