Zijn mensen goed of slecht?

De mens kan heel slecht zijn, maar ook heel goed. En waarom is dat eigenlijk?

Evolutionaire mechanismen zorgden ervoor dat moraliteit kon ontstaan. Ook bij dieren.

Waarom bestaat er zoiets als goed en kwaad? Vroeger was de verklaring simpel: het goede stond gelijk met het hogere, het goddelijke, en het slechte stond gelijk met het dierlijke, het lage, het aardse. Darwins evolutietheorie was de belichaming daarvan: mens en dier streden om het bestaan, en de evolutietheorie was één en al bloed en klauwen, wreedheid en egoïsme of seks en dominantie.

De laatste decennia toont wetenschappelijk onderzoek echter het tegendeel aan. Het ‘wrede’ evolutieproces kan er ook voor zorgen dat wezens goed zijn. Dat ze voor elkaar zorgen, vriendschappen aangaan, afkerig staan tegenover verraad, diefstal en moord. Zo blijkt zelfs dat de menselijke moraal een instinct is, een soort van zesde zintuig dat door cultuur en opvoeding verder wordt verfijnd. Men zou het niet meteen denken met al die concentratiekampen, oorlogen en massamoorden, maar één van de zaken die het succes van de menselijke soort verklaren, is onze hoogstaande moraal (samen met ons taalvermogen).

Dat de moraal diepe evolutionaire wortels heeft, is ondermeer af te leiden uit het feit dat heel wat andere diersoorten ook over zekere vormen van een al dan niet primitieve moraal beschikken. Zo offeren bijen bijvoorbeeld hun leven op voor de kolonie door een té nieuwsgierige bezoeker te steken, en haken mieren zich aan elkaar om zo levende bruggen te vormen om de colonne door te laten marcheren. De bruggen bouwende mieren verdrinken. En overal in de natuur zien we hoe dieren elkaar helpen, soms over de soortgrenzen heen: kleine vissen halen het vuil tussen de tanden van roofvissen, vogeltjes lokken dassen naar bijenkorven om die te laten openbreken en vleermuizen delen voedsel met elkaar.

Er bestaan verschillende evolutionaire mechanismen die maken dat moraliteit kon ontstaan.

Een eerste mechanisme is het feit dat er zoiets bestaat als familiebanden. Hoe meer organismen met elkaar verwant zijn, hoe meer ze zich voor elkaar inzetten. Moeders en hun kinderen hebben de helft van elkaars genen gemeen, en hoe meer een moeder onvoorwaardelijk voor haar kroost zorgt, hoe groter de kans dat een deel van haar genen doorgegeven worden. Een tante heeft nog maar één vierde van haar genetisch materiaal met haar neefjes gemeen, en zoals we allemaal weten is moederliefde veel sterker dan tanteliefde. Uiteraard houden moeders niet van hun kinderen omdat ze (on)bewust hun genen willen doorgeven. De evolutie heeft moederbreinen zo ontworpen dat ze enorm veel van hun kinderen houden, en dat ze het heel prettig vinden om voor hun kinderen te zorgen.

Maar we doen ook goede dingen voor niet-verwanten. Biologen noemen dit het principe van wederkerigheid: ik doe iets goeds voor jou, als jij iets goeds doet voor mij. Ook dit principe komt veel voor in de natuur: een kleinere vis reinigt de schubben van een grotere, want beide vissen varen er wel bij. Een vogels wijst een das de weg naar een bijenkorf, omdat de vogel de korf niet kan openbreken, en de das wel.

Bij mensen en mensapen is dit principe van wederkerigheid complexer. Zij doen ook vaak goede daden in ruil voor status. Soms helpen we iemand omdat we niet willen dat hij later achter onze rug kwaad spreekt over ons egoïsme. Zo deelt een chimpansee voedsel uit, zodat hij geliefd wordt in de groep, en dat kan hem later voordelen opleveren.

Maar uiteraard doen mensen ook goed zonder dat er familiebanden of wederkerige beloningen mee gemoeid zijn. Ze zijn oprecht goed.

Dat komt ten eerste door seksuele selectie: de nakomelingen van vrouwen die vallen op steeds moreel hoogstaandere mannen zouden meer kansen hebben om te overleven. Zo delen Arabische babbelaars (een vogelsoort) voedsel uit of staan ze vrijwillig op wacht voor roofdieren, zonder dat ze daarvoor iets voor terug verwachten of zonder dat ze familie van elkaar zijn. Door voedsel te delen en op wacht te staan, tonen de mannelijke vogels hoe fit ze zijn: ze kunnen niet enkel zichzelf in leven houden, maar ze kunnen ook nog voor de hele groep zorgen. De vrouwtjes die voor dit soort fitte mannen kiezen, hebben dan ook fittere nakomelingen. Zo worden vrijgevigheid (voedsel delen) en gemeenschapszin (op wacht staan voor de groep) via seksuele selectie uitgeselecteerd. Ook bij mensen vallen vrouwen vooral op ‘goedaardige’ mannen: bij een internationaal onderzoek blijkt dat vrouwen aardige mannen verkiezen boven knappe of rijke mannen.

Een tweede mechanisme dat ervoor kan zorgen dat mensen oprecht goed zijn, is dat onze moraal zo goed werkt dat hij in ‘overdrive’ staat: hij wordt ook gebruikt voor zaken die op het eerste zicht evolutionair niet nuttig zijn. Zo doneren mensen geld om mensen te helpen die aan de andere kant van de wereld wonen. Dit gedrag komt ook voor bij andere diersoorten. In 1996 ontfermde een gorilla zich over een driejarig jongetje dat in haar kooi was gevallen: ze nam het kind in haar handen en troostte het door het zachtjes te wiegen, om het kind vervolgens aan de bewaker af te geven.

De wetenschap is nu van het feit doordrongen dat evolutie er niet enkel voor zorgt dat dieren elkaar doodbijten, opeten, wurgen, vergiftigen en continu beconcurreren, maar dat het ook zorgt voor goedheid in dieren: organismen die in groepen leven en elkaar helpen, zijn veel beter af dan wanneer het ieder voor zich is.

Maar hoe komt het dat de mensheid met zijn ziekenhuizen, hulporganisaties en wereldwinkels ook bommenwerpers, atoomwapens en concentratiekampen bouwt? De mens is van nature goed, zolang het maar wezens betreft die deel uitmaken van zijn groep. Evolutionair gezien is dit ook logisch: gedurende miljoenen jaren leefden onze voorouders in hechte stammen, en daarom ontwikkelde moraliteit zich ook voor de nabije stamleden die elkaar hielpen te overleven. De nazi’s beschouwden de joden niet als leden van hun groep (het Arische ras), maar als een minderwaardige andere soort. Gelovige fundamentalisten beschouwen buitenstaanders als vijanden en racisten verdelen de mensheid in rassengroepen.

Maar er is goed nieuws. Mensen groeien steeds meer naar elkaar toe. Langzaam beginnen we de hele mensheid te beschouwen als één grote stam, als leden van één grote groep. Dankzij televisie maken we kennis met culturen aan de andere kant van de aardbol, via telefoon en internet kunnen we er ook mee praten, onderwijs trekt onze wereld open, we drijven liever handel met Chinezen en Amerikanen dan oorlog te voeren, en we zien dat we allemaal tot één wereld behoren.

En zo wordt de mensheid op moreel vlak een steeds moreel hoogstaandere soort. En onze moraliteit zal enkel maar groeien, zolang we ons niet te veel laten leiden door heilige boeken die vele eeuwen geleden werden geschreven, en door primitieve gut feelings die ingeprogrammeerd werden door de evolutie, zoals bijvoorbeeld onze aard om ons afkerig te gedragen tegenover andere groepen. Mensen hebben geen heilige geboden of goden nodig om de doen wat goed is: het goede zit al in ons, en in duizenden andere diersoorten.

Elke woensdag staat op deze plek een filosofisch dilemma, doorgaans van Rob Wijnberg. Tijdens zijn vakantie staan hier essays van gastschrijvers. Kris Verburgh (1986) schreef onder meer ‘Fantastisch!’, waarin hij met behulp van recente wetenschappelijke kennis filosofische vragen beantwoordde. Hij studeert geneeskunde aan de Universiteit Antwerpen.