Tokkie tokkie

Gek woord, ‘gek’. Je kunt er nogal veel mee, namelijk. Je hebt bijvoorbeeld de ‘gek mens ben ik, hè’-vrouwen. Die bedoelen het als compliment aan zichzelf. Ze hebben jaren onderdrukking van zich afgeworpen en zijn nu eindelijk aan het zingen op de fiets, en ze dragen etnische gewaden. Gek hè?

Wat je ook vaak hoort, is dit: ‘Mag ik jou een heel gekke vraag stellen?’ De vraag die daarna komt is bijna nooit gek. Bijvoorbeeld: ‘Ben jij nog bezig in die krant?’

‘Maak me gek’ betekent ook nooit: zorg dat ik in een psychiatrisch ziekenhuis terecht kom. Idem voor ‘mij krijgen ze niet gek.’

De saaiste, geestelijk gezondste mensen kunnen zeggen: ‘Nu ga ik iets heel geks doen, ik neem nog een boterham.’

Gek is dus een woord dat aan afzwakking onderhevig is. Zelden wordt er nog mee gezegd waar het eigenlijk voor bedoeld was, namelijk ‘geestelijk gestoord’.

Als je iemand echt gek vindt, kun je anderen dingen zeggen. Zelf ben ik een groot fan van ‘koekoek’. Vooral omdat je dan midden in een zin ineens keihard ‘koekoek’ mag roepen, op de melodie van een koekoeksklok: ‘Ken je Annemieke? Die is echt KOE-KOEK!’

Ook hoorde ik laatst weer een uitdrukking uit mijn kindertijd: ‘tokkie tokkie,’ met een heftig tikken tegen het voorhoofd (Dit heeft trouwens niets te maken met de familie Tokkie, want die bestonden vroeger nog niet – althans niet in het publieke domein). Tokkie tokkie kun je zo gebruiken: ‘Jawoor! Bungeejumpen boven een droge rivierbedding! Echt totaal tokkie tokkie!’ Uit pure nostalgie ben ik van plan ‘tokkie tokkie’ weer in te voeren.

‘Gek’ moet ondertussen gebruikt worden om enthousiasme uit te drukken, en dat kan met behulp van allerhande verrassende voorzetsels. ‘Ik ben gek op paella.’ Of, raarder: ‘Wij zijn gek van Vlieland!’ Of: ‘Ik ben gek met paarden.’ En het allergekste: ‘Ministekken, daar zijn wij gek mee!’