Samen richting de rode cijfers

Overheidsfinanciën staan er in alle rijke industrielanden slecht voor.

Er leken acutere problemen, zoals de kredietcrisis, dan de begrotingssaldi.

Ga er maar aan staan: wie de nieuwe president van de Verenigde Staten ook mag worden, John McCain of Barack Obama, hij erft een torenhoog begrotingstekort van 482 miljard dollar van zijn voorganger, George W. Bush. Nu de Amerikaanse economie snel verslechtert, de belastingverlagingen voor de topinkomens er inhakken en een stimuleringspakket ter waarde van 160 miljard dollar vrijkomt, komen de Amerikaanse overheidsfinanciën er snel slechter voor te staan.

Het recordtekort is nog zonder de mogelijke kosten van financiële reddingsoperaties op de huizen- en hypotheekmarkt, en zonder een fors deel van de militaire uitgaven, die deels, voor rond de 80 miljard dollar, buiten de officiële begrotingscijfers vallen. En inclusief tijdelijke overschotten in de sociale zekerheid die als lopende inkomsten worden gerekend.

De val van de Amerikaanse overheidsfinanciën is adembenemend. President Bush begon zijn eerste termijn in 2000 met een begrotingsoverschot, dat was bereikt onder de twee termijnen van zijn Democratische voorganger Clinton. Nu staat de begrotingspolitiek weer bovenaan de politieke agenda. Overheidsfinanciën zijn terug van weggeweest.

Ook rond de eeuwwisseling domineerden ze het economische discours in de gevestigde industrielanden. De aanloop naar en de invoering van de euro zorgde voor een constante aandacht voor de begrotingen van de landen die aan de monetaire unie meededen. De angst voor de gevolgen van een groeiend tekort op de lopende rekening van de Verenigde Staten zorgde ervoor dat de Amerikaanse begrotingscijfers in het nieuws bleven, zeker ook toen de tekorten onder president Bush al snel explodeerden.

En Japan worstelde zich intussen met een grootscheepse begrotingsstimulans uit de economische put waar het in de jaren negentig in gevallen was.

Dat de begrotingspolitiek vervolgens naar de onderkant van de politieke agenda verdween, heeft vooral te maken met de conjunctuur. Japan wist voorzichtig de opgaande lijn te hervinden, en zag zijn begrotingstekort teruglopen van een torenhoge 8 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2002 tot 1,4 procent in 2006. De lidstaten van de eurozone wisten hun gemiddelde begrotingstekort terug te dringen van 3,1 procent in 2003 tot nog slechts 0,6 procent in 2007. Zelfs in de VS ging het tekort terug van 4,8 procent in 2003 tot 2,6 procent in 2006.

De kredietcrisis, de prijsexplosie van grondstoffen, en de ontluikende inflatieangst deden de rest. Er leken acutere en zwaarwegender problemen te zijn dan de westerse begrotingssaldi, die in het nieuws en de politieke discussie dan ook werden weggedrongen. Maar nu de conjunctuur snel keert – gisteren nog maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek in Nederland melding van de op een na snelste daling van het consumentenvertrouwen in Nederland ooit – is het wachten op een golf van hernieuwde aandacht voor de begrotingspolitiek.

Daar is ook reden voor. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de club van rijke industrielanden, houdt gestandaardiseerde cijfers bij. En die voorspellen weinig goeds.

Al dit jaar loopt het gemiddelde tekort van de eurolanden volgens de OESO op van 0,6 procent naar 1,1 procent van het bbp. Dat is nog niet dramatisch, maar de economische groei die de OESO daarbij veronderstelt, lijkt aan de hoge kant: 1,7 procent voor de eurozone, terwijl analisten volgens de zakenbank Dresdner Kleinwort gemiddeld een veel lagere groei voorspellen van slechts 1,2 procent in 2008.

Voor volgend jaar voorziet de OESO een gemiddeld overheidstekort van 1,2 procent in de eurozone, bij een economische groei van 1,4 procent. Valt de groei in beide jaren tegen, dan schieten de tekorten omhoog. De eerste tekenen van ongerustheid zijn er: Frankrijk liet zijn europartners dit voorjaar weten pas in 2012 een balans op de begroting te bereiken, in plaats van het eerder beloofde 2010. Het tekort bedroeg vorig jaar al 2,7 procent van het bbp, en kan dit jaar oplopen tot 3 procent. Dat is op de grens die het Stabiliteitspact, dat werd gesloten voordat de euro werd ingevoerd, toestaat – ook al is dat Pact sindsdien verwaterd. Niet-euroland Verenigd Koninkrijk werd eveneens op de vingers getikt, omdat het tekort uit de hand loopt: volgens de OESO kan het in 2008 3,8 procent bedragen. Ook Italië is op weg naar de 3-procentgrens.

Niet voor niets waarschuwde de Europese Centrale Bank in haar maandbericht over juni tegen de oplopende tekorten in de eurozone. „Het terugdringen van de tekorten in 2007 is vooral te danken aan het gunstige economische klimaat en aan eenmalige meevallers, in plaats van structurele vorderingen”, aldus de ECB. Dat is te zien aan de zogenoemde ‘structurele tekorten’, die zijn geschoond voor de invloed van de conjunctuur. Volgens de OESO zijn deze tekorten veel minder verbeterd, hetgeen inhoudt dat de begrotingen snel verslechteren als het economisch tij tegenzit.

Japan weet intussen wel zijn tekort in de hand te houden, maar zit door zijn grootscheepse stimuleringspolitiek nu met een staatsschuld die is opgelopen van 65 procent van het bbp begin jaren negentig tot 170 procent nu. Het land heeft een lange periode van overschotten nodig om die staatsschuld met enige snelheid weer op orde te krijgen.

Toch vallen al deze zorgen in het niet bij die over de Verenigde Staten. Bedroeg het begrotingstekort daar in 2007 daar nog, afhankelijk van de rekenwijze, 2,7 procent volgens het Internationale Monetaire Fonds (IMF) of 3 procent (volgens de OESO), dit jaar explodeert het tekort tot 4,5 procent volgens het IMF en 5,5 procent volgens de OESO.

Dat komt vooral door de stimuleringsmaatregelen die zijn genomen om de bestedingen van Amerikaanse consumenten aan te wakkeren. Maar er is nog niet gerekend met het effect van de noodmaatregelen die de afgelopen tijd door het Congres zijn aangenomen om de huizen- en hypotheekmarkt te steunen. Het Congressional Budget Office schatte die vorige week voorzichtig op 25 miljard dollar, maar ze kunnen veel hoger uitvallen.

De opvolger van George Bush, wie het ook mag worden, kan zijn borst alvast nat maken. Het IMF ziet het Amerikaanse tekort nog zakken naar 4,2 procent volgend jaar, maar de OESO verwacht dat het tekort ook dan, met 5,2 procent, zeer hoog blijft.

Eén ding is zeker: tegen die tijd staan de overheidsfinanciën overal weer hoog op de agenda.

Is de kredietcrisis een leerschool? Op nrc.nl discussiëren prominente economen over de financiële crisis.