Nu moeders werken is voor pleegkinderen geen tijd

Vandaag begint een campagne om aandacht te vragen voor pleegzorg. Maar wie heeft er nog tijd voor een pleegkind? Het aantal pleegkinderen neemt de laatste jaren toe.

Het filmpje toont een meisje van een jaar of dertien dat thuiskomt. Ze krijgt van haar moeder de rituele preek – „hadden we niet afgesproken dat je eerder zou zijn?...weet je wel hoe ongerust ik dan ben...?” – die wordt gespeeld door hetzelfde meisje. Het meisje geeft zichzelf vervolgens huisarrest. De boodschap wordt duidelijk: dit meisje voedt zichzelf op. Het spotje eindigt met: „Je mag van een kind niet verwachten dat het zichzelf opvoedt als de ouders dat even niet kunnen.”

Vandaag lanceert de Stichting Ideële Reclame (SIRE) de campagne ter gelegenheid van haar 40-jarig bestaan. In dit ene geval mocht het publiek een onderwerp kiezen. Van de 2.600 onderwerpen die werden ingezonden, kozen het publiek en een professionele jury (reclamemakers) de pleegzorg.

Deze ‘publieksbelangstelling’ (de verkiezing ging via internet) staat in schril contrast tot de cijfers in de pleegzorg. Want pleegouders zijn er te weinig. Ze waren er al nooit in overvloed. Maar het aantal pleegkinderen is in tien jaar ook nog verdubbeld tot 20.000 vorig jaar. Eind vorig jaar wachtten 963 kinderen al langer dan twee maanden op plaatsing in een pleeggezin. Ze wachten niet thuis maar vaak in een tehuis.

Zo’n tien jaar geleden besloot de overheid kinderen die uit huis worden gehaald, vaker bij pleeggezinnen onder te brengen en minder vaak in een tehuis. „Dat was een bezuiniging: pleegzorg is voordeliger dan professionele zorg”, vertelt Ans van de Maat, directeur van De Rading in Utrecht, die onder meer pleegzorg organiseert. „Die beleidswijziging kwam wel overeen met het groeiende inzicht dat de meeste kinderen beter af zijn in een gezin dan in een instelling met betaalde krachten.”

Sinds september 2004 worden kinderen bovendien sneller uit huis gehaald dan voorheen. Aanleiding was de gestorven peuter Savanna uit Alphen aan den Rijn. Haar voogd, van jeugdzorg, wist dat haar moeder haar mishandelde.

Tegelijk verandert de samenleving. Moderne ouders, zeggen ze in de wereld van de pleegzorg, schrikken terug voor de toewijding die de jarenlange opvang van een pleegkind vereist. Bovendien werken de meeste moeders buitenshuis. Men heeft geen tijd voor nóg meer kinderen. Als ze zich al melden, dan is dat voor crisishulp omdat die maar enkele maanden duurt en je ook af en toe kunt weigeren. Vorig jaar kwamen er na een intensieve campagne 1.000 pleeggezinnen bij waardoor er nu bijna 13.000 zijn.

Sommige pleegkinderen zijn impopulair: pubers omdat die opstandig (zouden) zijn en kinderen met gedragsproblemen of allergieën. Van de Maat: „En baby’s en peuters omdat die veel zorg nodig hebben. Bij hen is bovendien onduidelijk of en wanneer ze terug kunnen naar hun ouders.”

Door het tekort aan langdurige pleeggezinnen slibt het hele systeem dicht, vertelt de woordvoerder van het Haagse Jeugdformaat, dat ook pleegzorg organiseert. „Kinderen die in een crisispleeggezin komen en er hooguit drie maanden zouden blijven, blijven er vaak een jaar plakken omdat ze niet kunnen doorschuiven naar een vast pleeggezin.” Van de 92 crisispleeggezinnen in de regio Haaglanden, bijvoorbeeld, zijn er momenteel vier met een plek vrij.

Neem het christelijke crisispleeggezin op een geheim adres in die regio. Bij hen kwam vorig jaar een blond jongetje van twee aan. Hij zou drie maanden blijven maar hij woont er nog steeds. Zijn pleegmoeder, bij wie hij op schoot zit, vertelt: „De bedoeling is dat hij terug gaat naar zijn ouders. Intussen zou hij naar een vast pleeggezin gaan maar dat was niet te vinden. Dus hebben wij hem gehouden. Nu zijn we behoorlijk aan elkaar gehecht.” De naam van deze crisispleegmoeder mag niet in de krant, omdat in een enkel geval ouders de eerste tijd niet mogen weten waar hun kind verblijft. Want sommige ouders zijn agressief.

Pleegouders zijn verplicht – op termijn – het pleegkind met de echte ouders te laten omgaan. Pleegouderschap is niet eenvoudig, erkennen de organisaties. Er volgt altijd afscheid. En sommige kinderen zijn al zo beschadigd dat ze alle warmte afwijzen. Van de Maat: „Ze vertrouwen die emoties niet. Ze kunnen liefde niet beantwoorden en maken alles wat op dat gebied wordt geboden, kapot. Dát is voor hen een vertrouwd gevoel.”

De pleegouders díé er zijn, komen in alle soorten en maten: grote gezinnen, kleine, kinderloze echtparen en alleenstaanden. Mirjam Christiaansen en haar man, bijvoorbeeld, geven alleen spoedhulp, voor de „crisis van de crisis”, zoals Mirjam (54) dat noemt. Een paar nachten, hooguit twee weken – de kamers moeten weer leeg zijn voor de volgende oproep.

Als ’s avonds laat de telefoon gaat, weet Mirjam altijd: dat is de crisisdienst. Er is weer een kind uit huis gehaald. Of twee, zoals onlangs. „Brachten ze twee broertjes van vijf en acht jaar, hier uit Den Haag. Het eerste wat de oudste vroeg was: mogen we wel bij elkaar slapen?” Dat mocht.

Ze konden de twee broertjes wegens hun werk maar drie dagen opvangen. Mirjam kocht wat kleren voor ze bij de Zeeman. Na drie dagen konden de jongens nog niet terug naar hun moeder. Dus zocht jeugdzorg een pleeggezin waar ze wat langer konden blijven. Maar dat lukte niet. Uiteindelijk moesten ze naar een instelling, een ‘logeerhuis’, en wel in Rotterdam. „Dat vonden ze duidelijk niet leuk”, zegt Mirjam.

Waarom staan deze mensen wél klaar voor elk (crisis-)pleegkind dat aanspoelt? De moeder op het geheime adres houdt erg van kinderen. Ze heeft er zelf zes. „Een extra bord erbij merk je dus nauwelijks”, zegt ze. Ze wil een steentje bijdragen om het leed in andere gezinnen te verzachten.

Zij werkt niet buitenshuis. „Daar heb ik geen tijd voor.” Ze draait drie wassen per dag en hangt ze uit in het trapgat. Ze schilt drie kilo aardappelen per maaltijd en schenkt twee liter melk. Ze haalt en brengt de kinderen naar school, naar muziekles, het koor, volleybal en zwemles. In één slaapkamer staat een driedubbel stapelbed.

Christiaansen en haar man, in Den Haag, zijn kinderloos. Adopteren wilden ze niet. Maar Mirjam zag op haar werk in het speciaal onderwijs heel vaak kinderen van wie ze dacht: woonde hij maar een tijdje bij ons, dan zou het veel beter met hem gaan. Een paar kinderen hebben jaren bij hen gewoond. Het geeft haar voldoening dat ze echt iets heeft „kunnen betekenen in het leven van die kinderen. Ze hebben hier voor het eerst gefietst, in een boom geklommen of hun verjaardag gevierd.”