Nieuwe doodkist kan weer 100 jaar mee

In Tsjernobyl wordt om de ontplofte kerncentrale een nieuwe sarcofaag gelegd met steun van Brussel. En er komen enorme bunkers voor radioactief afval. Wordt dit misschien de atoombelt van Europa?

Het einde van Pripjat was even abrupt als het begin. Het stadje werd volgens een sovjetformule uit de grond gestampt. Appartementencomplexen voor de lokale partijbonzen – de hamer en sikkel prijken nog op het dak – en grauwe flats voor de gewone Rus. Maar na de ramp in Tsjernobyl, in de nacht van 25 op 26 april 1986, het zwaarste ongeluk met een kerncentrale sinds het begin van het nucleaire tijdperk, hield het leven in Pripjat op te bestaan.

Een radioactieve wolk daalde hier als eerste neer – die de wind vervolgens over grote delen van Noordwest-Europa verspreidde. De bewoners werden voor de onzichtbare moordenaar een dag later geëvacueerd. Nog altijd staan de huizen en gebouwen verlaten. Op een plein groeien wilde, wel zes, zeven meter hoge bomen door het betonnen plaveisel heen.

Pripjat is een spookstad. Tussen de glasscherven bij cultuurpaleis ‘Energetika’ liggen vergeelde foto’s van een sovjetmeisje met lange blonde haren. Zij poseert in de straten van een zonnig stadje. Verderop liggen fotorolletjes en een vioolkist. In de bibliotheek op de tweede verdieping staan wat boeken over de communistische revolutie. Op sommige plekken is de straling nu nog 100 keer hoger dan gezond is voor een mens. Langer dan tien minuten mag je daar niet zijn.

Op een steenworp afstand van Pripjat, rondom het terrein van de fatale Reactor Vier, is het een drukte van belang. Niet alleen ramptoeristen – op het vliegveld in Kiev worden folders uitgedeeld waarin voor 60 euro dagtochtjes naar Tsjernobyl worden aangeboden, inclusief „stralingsvrij diner”. Het wemelt er van de, veelal Europese, bedrijven. Vrachtwagens rijden af en aan. Mannen in blauwe overalls dollen met elkaar tijdens de schaft. Zij bouwen installaties voor de verzameling, verwerking en opslag van radioactief afval.

De beschermingsconstructie van gewapend beton die als een stenen doodkist om de reactor is gelegd, is aan het eind van haar levensduur. De veiligheid kan niet meer worden gegarandeerd bij bijvoorbeeld een zware aardbeving, legt een veiligheidsinspecteur uit. Duitsers, van het Duitse bedrijf Nukem, bouwen op 300 meter van de in brand gevlogen reactor een fabriek, waar kernafval in stukken wordt gehakt, verbrand en samengeperst voor opslag in betonnen bunkers een paar kilometer verderop. Fransen, van het Franse kernenergiebedrijf Areva, zien toe op de werkzaamheden van de Duitsers. Tegenover de reactor bouwt een consortium van Amerikaanse en Oekraïense bedrijven een constructie, ‘het gewelf’ genaamd, die straks over de betonnen kap, ‘de sarcofaag’, die nu nog om de kern zit, zal worden geplaatst. Niet dat er grote lekkages zijn, zegt de veiligheidinspecteur. „Maar een nieuwe kap kan weer 100 jaar mee.”

Onder de sarcofaag ligt nog 95 procent van de oorspronkelijke nucleaire brandstof – de rest werd destijds door de explosie weggeslingerd naar omliggend gebied. De hoeveelheid achtergebleven radioactief puin wordt geschat op 190.000 ton en de straling die er van afkomt is nog duizenden jaren uiterst dodelijk. Hoewel niemand het precies weet. De nucleaire hel onder de tombe van Tsjernobyl is door geen mensenogen meer aanschouwd sinds de bouw van de kap eind 1986.

Onder de nieuwe kap zullen camera’s worden aangebracht en men kan er straks zelfs onder lopen. Mogelijk dat daarmee een oplossing kan worden gevonden voor het achtergebleven plutonium. De kap is eigenlijk een klein wonder, verklapt de inspecteur. „De hoeveelheid met straling besmet water die nog wel uit de sarcofaag ontsnapt en in de atmosfeer belandt, is straks veel kleiner.”

Europa betaalt mee aan de opknapbeurt van Tsjernobyl. Brussel spekt het fonds waaruit de nieuwe kap wordt betaald (met 127 miljoen euro). Individuele lidstaten, waaronder Frankrijk en Duitsland, zijn goed voor 50 procent van het totale budget (636 miljoen euro). In ruil daarvoor kregen Nukem en Areva (toezichthouder namens Brussel) opdrachten in Tsjernobyl. De rest komt voor rekening van Canada, VS, Japan, Koeweit en nog een aantal Europese landen die geen lid zijn van de EU.

Een van de bunkers is inmiddels gereed. „55.000 kubieke meter nucleair afval kan hier straks 300 jaar staan”, zegt projectmanager Thomas Pietsch van Nukem. Hij glijdt met zijn hand liefkozend langs het beton. In totaal komt er opslagruimte voor 2,5 miljoen kubieke meter stralend puin.

Of dat niet wat veel is voor Tsjernobyl? „Daar mag ik niks over zeggen”, verklaart Pietsch. Maar, fluistert hij even later tegen de bezoeker, „ik denk het wel.” Het opslaan van een kuub radioactief afval kost een klant straks 1.500 tot 2.000 euro. Goedkoop, zo lijkt het.

Wordt Tsjernobyl daarmee straks de nucleaire afvalbelt van Europa, van de wereld? Directeur Valentin Melnitsjenko van het Oekraïense SSE Technocenter, dat de andere bunkers bouwt, zegt: „Het klopt dat het afval van Tsjernobyl alleen de bunkers niet zal vullen. Ze zijn ook bedoeld voor afval van andere kerncentrales en ziekenhuizen in Oekraïne.”

Geen kernafval uit het buitenland? „Internationaal afval is geen optie”, zegt Melnitsjenko. Anticipeert Brussel met zijn steun daar niet op? De EU-vertegenwoordiger in Oekraïne, Ian Boag, ontkent dat. „Onder de bestaande Europese wetgeving is het weliswaar mogelijk, maar er zijn geen plannen.” Er worden ook geen gesprekken gevoerd met Kiev, verzekert hij op een persconferentie. De Oekraïense minister van Rampenbestrijding, Volodimir Sjandra, valt hem bij. „Het is op dit moment verboden om op enig moment radioactief afval van andere landen op te slaan in Oekraïne.”

Vervolg Tsjernobyl: pagina 12

Nieuwe atoomcentrales brengen werk en hoop

Kernenergie

Oud-werknemers van Tsjernobyl zijn blij met Oekraïense energieplannen

Tsjernobyl

Vervolg Tsjernobyl van pagina 11

Het zal nog wel even duren voordat er überhaupt kernafval wordt opgeslagen. De eerste opslagruimte is klaar, maar heeft nog geen licentie. En de verwerkingsfabriek van Nukem is eind dit jaar klaar, maar zal dan misschien niet in bedrijf kunnen gaan. „Er zijn nog wat probleempjes met de belastingen”, onthult projectmanager Thomas Pietsch van het Duitse bedrijf Nukem. De Duitser is inmiddels wel wat gewend. Net als andere westerse ondernemers in de landen die voortkwamen uit de voormalige Sovjet-Unie heeft hij voortdurend te maken met kleine tegenvallers en onwelkome verrassingen. Neem de prijzen, zegt hij. „Je zou denken dat Oekraïne goedkoop is wegens de lage lonen. Maar in werkelijkheid is alles hartstikke duur”.

Omdat Pietsch in de zogeheten exclusiezone werkt – binnen een straal van tien kilometer van de in brand gevlogen reactor – durft vrijwel geen enkele aannemer bij hem te leveren. „Ze zijn bang dat hun spullen besmet raken en het gebied niet meer mogen verlaten.” Gevolg: er is maar één aanbieder, en die heeft feitelijk een monopolie. „Kost een kubieke meter cement normaal 80 tot 90 euro, nu is dat zo 200 euro”, klaagt Pietsch, die in de DDR opgroeide. „En er mag hier op het terrein dan een cementmolen staan, maar daar hebben we niks aan. De eigenaar is een aannemer die failliet ging en hij verbiedt ons zijn molen te gebruiken.”

Om minder afhankelijk te zijn van energie uit buurland Rusland – waarmee Oekraïne op slechte voet staat wegens zijn toenadering tot de NAVO en de pro-westerse koers van president Joesjtsjenko – wil de Oekraïense regering de nucleaire opwekkingscapaciteit fors verhogen. Tussen nu en 2030 moet het vermogen meer dan verdubbelen. Kerncentrales voorzien dan in ongeveer 50 procent van de energiebehoefte in Oekraïne. Oekraïens kernafval zou dan ruim voorhanden zijn.

„Een goede zaak” , zegt Viktor Dvornik (59), destijds ingenieur in Tsjernobyl. „Meer kerncentrales betekenen meer werk.” Op de avond van de ramp was hij thuis: hij had zijn dienst geruild met een collega. Later moest hij alsnog het gebied in, waardoor hij nu milde, fysieke problemen heeft waarover hij verder liever niet wil praten. Van de staat krijgt hij een pensioentje van 30 euro per maand – voor eten, onderdak, medicijnen. Maar daar kan hij niet van leven. „Bovendien gingen de afgelopen jaren de pensioenen steeds verder omlaag.” Hij verdient bij als chauffeur van een Britse arts in Kiev.

Zijn oud-collega’s, zegt hij, denken er net zo over als hij. Nieuwe kerncentrales brengen werk, geven hoop. Hij herinnert het zich nog: „Toen de laatste reactor in Tsjernobyl dicht ging, stond het hele dorp waar ik vandaan kom, op straat.”