Na gouden jaren dreigt fatale crisis

In Turkije lijkt de strijd te gaan over verschillende visies op de identiteit van het land. Maar in werkelijkheid is er sprake van een strijd om de macht, meent Erik-Jan Zürcher.

De afgelopen zes jaar zijn een gouden tijd voor Turkije geweest. Sinds de spectaculaire verkiezingsoverwinning van de Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (de AK-partij) in 2002 kende het land politieke stabiliteit; een daadkrachtige regering die, niet geremd door politieke en ideologische taboes, vergaande democratische hervormingen doorvoerde; en ononderbroken hoge economische groei. De inflatie daalde van zeventig naar tien procent en de buitenlandse investeringen explodeerden. De Turken gingen er fors in welvaart op vooruit en er heerste een sfeer van optimisme en zelfvertrouwen in het land.

Zelfs het hardnekkige Koerdische probleem leek sinds de gevangenneming van Koerdenleider Abdullah Öcalan in 1999 en de successen van het Turkse leger tegen de PKK-guerrilla in het zuidoosten dichter bij een oplossing dan ooit, vooral toen de leiders van de AK-partij, premier Erdogan voorop, aangaven in te zijn voor een amnestie- en verzoeningspakket.

In 2007 werd de AK-partij hiervoor beloond met een daverende overwinning in de landelijke verkiezingen. Maar liefst 47 procent van de stemmen ging naar de partij van premier Erdogan, wat net als in 2002 goed was voor een absolute meerderheid van de zetels in het parlement.

De Turkse bevolking trok met dit resultaat een lange neus naar het leger dat, samen met andere delen van het staatsapparaat en de oppositie in het parlement dwars was gaan liggen toen de AK-partij haar tweede man, minister van buitenlandse zaken Gül in het parlement tot president wilde kiezen. Na de verkiezingen werd Gül alsnog president.

Inmiddels is de atmosfeer in Turkije totaal veranderd. De berichten over Turkije in onze media gaan nu over bomaanslagen en over geheime terreurnetwerken; over dodenlijsten en plannen voor een staatsgreep en, misschien wel het meest bizar, over het dreigende verbod van de democratisch gekozen regeringspartij. De onderhandelingen met de EU zitten in het slop en de Koerdische guerrilla lijkt, zij het op kleine schaal, te herleven. Wat is hier in vredesnaam aan de hand?

In ieder geval zijn het niet de bomaanslagen waar we ons ongerust over hoeven te maken. Die zijn in Turkije, net als in Spanje (ETA) of Frankrijk (Corsica) niets nieuws. Turkije heeft een rijke traditie van radicale, gewelddadige splinters van links en van rechts, van communistisch tot fascistisch en fundamentalistisch.

Wie verantwoordelijk is voor de huidige terreurgolf is nog volkomen onduidelijk, maar veel mensen in Turkije wijzen naar het ondergrondse netwerk Ergenekon, waarvan inmiddels een aantal leden is opgepakt.

Ergenekon is een onrustbarend fenomeen. Al sinds de vroege jaren negentig duiken in Turkije keer op keer berichten op over de hechte banden tussen mensen uit het leger, de veiligheidsdiensten, ultranationalistische militanten en maffiosi, het complex dat wordt aangeduid als de ‘diepe staat’.

In 1995 barstte het schandaal over de ‘diepe staat’ los toen bij een auto-ongeluk een parlementslid van de regeringspartij, een hoge politiebeambte en een beruchte ultrarechtse militant in dezelfde auto bleken te zitten.

Die militant was op dat moment officieel een van de meest gezochte misdadigers van Turkije, maar had wel een vers VIP-paspoort op zak, getekend door de minister van Binnenlandse Zaken. In de achterbak lagen wapens. Van tijd tot tijd waren er nieuwe berichten en incidenten die lieten zien dat ondergrondse netwerken, waarin gepensioneerde officieren een leidende rol speelden, nog altijd actief waren. Vermoedelijk waren zij ook betrokken bij de moord op de Armeens-Turkse redacteur en journalist Hrant Dink vorig jaar.

Het nieuwe is dat de regering nu voor het eerst ernst lijkt te maken met de ontmanteling van de ‘diepe staat’ en de betrokkenen vervolgt. In de aanklacht tegen de Ergenekon-leden wordt de nadruk gelegd op de plannen die zij gehad zouden hebben om een staatsgreep tegen de gekozen regering van de AK-partij te plegen (dat er in legerkringen de afgelopen jaren over zo’ n scenario is gesproken weten we inmiddels ook uit andere bronnen).

Dat de regering-Erdogan zo optreedt, heeft alles te maken met de confrontatie tussen de AK-partij en delen van het staatsapparaat, het leger voorop.

Het leger ziet de AK-partij als een partij die uit is op de sluipende islamisering van Turkije en laat bij iedere gelegenheid zijn wantrouwen tegen de regering blijken. Nu de steun van de bevolking voor de AK-partij bij de verkiezingen is bevestigd, heeft de seculiere vleugel zijn toevlucht genomen tot de juridische weg. De hoogste officier van justitie van Turkije heeft bij het constitutionele hof het verbod geëist van de AK-partij omdat deze partij de seculiere orde van Turkije zou ondermijnen. De aangedragen bewijzen zijn flinterdun, maar in Turkije wordt algemeen verwacht dat het constitutionele hof, waarvan de rechters bekend staan als seculiere hardliners, de partij zal ‘sluiten’, misschien al deze week.

Mocht dat zo zijn, dan stort Turkije in een ongehoorde politieke crisis, iets wat het land zich heel slecht kan veroorloven op een moment dat de onderhandelingen met de EU ook al moeizaam verlopen en de kredietcrisis Turkije met zijn enorme staatsschuld hard zou kunnen gaan raken.

Dat het wellicht toch gebeurt, dat de hoogste organen in het land bereid zijn dergelijke risico’s te nemen, tekent het belang van de krachtmeting die aan de gang is.

Wat in feite aan de orde is, is de vraag wie in Turkije de baas is. De parlementaire meerderheid of de hoogste organen van de staat, van het leger, de bureaucratie en de rechterlijke macht?

Aan de oppervlakte lijkt de strijd in Turkije te gaan over verschillende visies op de identiteit van het land – seculier of religieus, maar in feite is het vooral een machtsstrijd, waarin een oude stedelijke en met de staat verbonden elite weigert te erkennen dat de snelle sociale en economische ontwikkeling van Turkije een nieuwe machtsbalans heeft geschapen. De AK-partij is de stem van de provincie, van de migranten die naar de grote stad zijn getrokken en die inmiddels in een stad als Istanbul driekwart van de bevolking uitmaken, en van de nieuwe rijken – zakenlui die spectaculair succes hebben gekend sinds de liberalisering van de Turkse economie in de jaren tachtig, maar die qua normen en waarden nog steeds wortelen in het conservatieve klimaat van de provinciestad.

Hoewel Turkije een veel langere democratische geschiedenis heeft, lijkt het conflict in sommige opzichten wel op dat in een land als Oekraïne, waar ook een oude machtselite verbonden met staat en partij weigerde te erkennen dat zij door het volk via de stembus was weggestuurd. De Oranjerevolutie was het gevolg. Maar in Oekraïne vormde de westers-georiënteerde, moderne stedelijke middenklasse de voorhoede van het verzet en dat is in Turkije nou net niet te verwachten, omdat een groot deel van deze groep in Turkije, geconfronteerd met de keuze tussen bescherming van hun seculiere levensstijl door de staat en democratie met een meerderheid van religieus conservatieven, kiest voor het eerste.

Voor Europa is de keuze duidelijk. De EU kan onmogelijk een land opnemen waar democratisch gekozen regeringen via buitenparlementaire druk en juridische trucs ten val worden gebracht. De regering van de AK-partij is verre van ideaal. De partij vertegenwoordigt conservatieve normen en waarden en je kunt je afvragen of de rechten van vrouwen, homo’s, dissidente Moslims, atheïsten en Christenen bij deze partij in veilige handen zijn.

De regering kan verweten worden dat zij het hervormingsproces dat nodig is voor EU-toetreding de laatste drie jaar heeft laten sloffen, dat ze onvoldoende moed heeft getoond in de Koerdische kwestie en vooral dat zij lijdt aan arrogantie van de macht en haar machtspositie niet heeft gebruikt om bruggen te bouwen naar de seculiere elite.

Maar het is wél een democratisch gekozen regering die breed wordt gesteund. Zij verdient de steun van Europa, zowel tegen de griezels van het Ergenekon-netwerk als tegen de autoritaire staat.

Erik-Jan Zürcher is directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale geschiedenis en hoogleraar Turkse talen en culturen aan de Universiteit Leiden.