Kinderen genoeg, maar zijn er ook ouders?

Vandaag start een campagne om pleegzorg te promoten.

Een kind is meestal beter af in een pleeggezin dan in een tehuis. Maar wie heeft er nog tijd voor een pleegkind?

Het filmpje toont een meisje van een jaar of dertien dat thuiskomt. Ze krijgt van haar moeder de rituele preek – „hadden we niet afgesproken dat je eerder zou zijn?...weet je wel hoe ongerust ik dan ben...?” – die wordt gespeeld door hetzelfde meisje. Het meisje geeft zichzelf vervolgens huisarrest. De boodschap: dit meisje voedt zichzelf op. Het spotje eindigt met: „Je mag van een kind niet verwachten dat het zichzelf opvoedt als de ouders dat even niet kunnen.”

Vandaag lanceert de Stichting Ideële Reclame (SIRE) deze campagne ter gelegenheid van haar 40-jarig bestaan. In dit ene geval mocht het publiek een onderwerp kiezen. Van de 2.600 ingezonden onderwerpen kozen het publiek en een professionele jury (reclamemakers) de pleegzorg.

Deze ‘publieksbelangstelling’ (de verkiezing ging via internet) staat in schril contrast met de cijfers in de pleegzorg. Want pleegouders zijn er te weinig. Terwijl het aantal pleegkinderen in tien jaar is verdubbeld tot ruim 20.000 vorig jaar (zie inzet).

Zo’n tien jaar geleden besloot de overheid kinderen die uit huis worden geplaatst, vaker bij pleeggezinnen onder te brengen en minder vaak in een tehuis. „Dat was een bezuiniging: pleegzorg is voordeliger dan professionele zorg”, vertelt Ans van de Maat, directeur van De Rading in Utrecht, die onder meer pleegzorg organiseert. „Die beleidswijziging kwam wel overeen met het groeiende inzicht dat de meeste kinderen beter af zijn in een gezin dan in een instelling met betaalde krachten.”

Sinds september 2004 worden kinderen bovendien sneller uit huis gehaald dan voorheen. Aanleiding is de moord op de Alphense peuter Savanna. Haar voogd, van jeugdzorg, wist dat haar moeder haar mishandelde.

Tegelijk verandert de samenleving. Moderne ouders, zeggen ze in de wereld van de pleegzorg, schrikken terug voor de toewijding die de jarenlange opvang van een pleegkind vereist. Ook werken de meeste moeders buitenshuis. Men heeft geen tijd voor nóg meer kinderen. Als ze zich al melden, dan is dat voor crisishulp omdat die maar enkele maanden duurt en je ook af en toe kunt weigeren. Vorig jaar kwamen er na een intensieve campagne 1.000 pleeggezinnen bij waardoor er nu 13.000 zijn.

Sommige pleegkinderen zijn impopulair: pubers omdat ze opstandig zouden zijn. Kinderen met gedragsproblemen of allergieën. En baby’s en peuters, omdat die veel zorg nodig hebben. Van de Maat: „Bij hen is bovendien onduidelijk of en wanneer ze terug kunnen naar hun ouders.”

Door het tekort aan langdurige pleeggezinnen slibt het hele systeem dicht, vertelt de woordvoerder van het Haagse Jeugdformaat, dat ook pleegzorg organiseert. „Kinderen die in een crisispleeggezin komen en er hooguit drie maanden zouden blijven, blijven er vaak een jaar plakken omdat ze niet kunnen doorschuiven naar een vast pleeggezin.”

Neem het christelijke crisispleeggezin op een geheim adres in de regio Haaglanden. Bij hen kwam vorig jaar een blond jongetje van twee jaar aan. Hij zou drie maanden blijven maar hij woont er nog steeds. Zijn pleegmoeder vertelt: „De bedoeling is dat hij teruggaat naar zijn ouders. Intussen zou hij naar een vast pleeggezin gaan maar dat was niet te vinden. Dus hebben wij hem gehouden. Nu zijn we behoorlijk aan elkaar gehecht.” De naam van de pleegmoeder mag niet in de krant omdat in een enkel geval ouders de eerste tijd niet mogen weten waar hun kind verblijft. Want sommige ouders zijn agressief.

Pleegouderschap is niet eenvoudig, erkennen de organisaties. Er volgt altijd afscheid. En sommige kinderen zijn al zo beschadigd dat ze alle liefde of warmte afwijzen. Van de Maat: „Ze vertrouwen die emoties niet. Ze kunnen liefde niet beantwoorden en maken alles wat op dat gebied wordt geboden, kapot. Dát is voor hen een vertrouwd gevoel.”

De pleegouders díé er zijn, komen in alle soorten en maten: grote gezinnen, kleine, kinderloze echtparen en alleenstaanden. Mirjam Christiaansen en haar man, bijvoorbeeld, geven alleen spoedhulp, voor de „crisis van de crisis”, zoals Mirjam (54) dat noemt. Een paar nachten, hooguit twee weken – de kamers moeten weer leeg zijn voor de volgende oproep.

Als ’s avonds laat de telefoon gaat, weet Mirjam altijd: dat is de crisisdienst. Zoals onlangs, twee broertjes van vijf en acht jaar uit Den Haag. Ze konden ze wegens hun werk maar drie dagen opvangen. Na drie dagen konden de jongens nog niet terug naar hun moeder. Dus zocht jeugdzorg een pleeggezin waar ze wat langer konden blijven. Maar dat lukte niet. Uiteindelijk moesten ze naar een instelling, een ‘logeerhuis’, en wel in Rotterdam. „Dat vonden ze echt niet leuk”, zegt Mirjam.

Waarom zijn deze mensen wél bereid elk (crisis-) pleegkind op te vangen? De moeder op het geheime adres houdt erg van kinderen. Ze heeft er zelf zes. „Een extra bord erbij merk je nauwelijks.” Mirjam Christiaansen zag op haar werk in het speciaal onderwijs heel vaak kinderen van wie ze dacht: woonde hij maar een tijdje bij ons, dan zou het veel beter gaan. Het geeft haar voldoening dat ze iets „kan betekenen in het leven van die kinderen. Sommige vieren hier voor het hun verjaardag.”