Ik denk niet dat ’t ooit nog zonnig wordt hier

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: Een rit over de Afsluitdijk met herinneringen uit 1985.

Het busstation van Den Oever is de somberste plek van Nederland. Mijn taxichauffeuses hebben me er net neergezet en ik heb mijn bus gemist. De volgende komt over een uur.

Mijn taxichauffeuses hebben me hier ook opgehaald. Ze hebben me naar Breezanddijk gebracht en ze hebben me weer teruggereden. Breezanddijk is het midden van de Afsluitdijk. Ik weet niet of je het een eiland kunt noemen – het is meer een puist, een uitstulping op de kaart.

Het busstation is overwegend licht turquoise, de huiskleur van Connexxion. Er zijn vijf bushaltes rond een eiland van stoeptegels. Er is een wachtruimte met informatiebalie, maar de luxaflex voor de informatiebalie is dicht en de wachtruimte is afgesloten. Het regent. De twee bushokjes in het midden van het eiland zijn niet droog – er missen een paar glazen panelen. Het glas ligt in kleine scherven tussen de voegen van de tegels.

Mijn chauffeuses reden in een TCA-taxi, een taxi uit Amsterdam. De dame achter het stuur reed al zeventien jaar in Amsterdam, maar ze woonde met haar vrouw in Den Oever. Ze waren van plan geweest naar Den Helder te gaan vandaag, maar ik belde voor een ritje. Dus ze kwamen samen. Ik zei dat ik dat gezellig vond.

De vriend die mijn moeder had, had een speedboot, een simpele, met een Suzuki-motor van 50 pk achterop. We gingen vissen vanaf Breezanddijk. We reden erheen met de boot op de trailer en we lieten ’m daar van de schans het water inzakken, aan de kant van de Waddenzee. De eerste keer was mijn moeder ook mee, we zaten met z’n drieën in het bootje, op de stoelen die hij op een sloop op de Oude Osdorperweg had gevonden – het waren dezelfde stoelen die in zijn Opel Rekord stonden. We visten en we vingen niets. De hele dag niet.

Ik moest piesen. Ik zei dat ik moest piesen en de vriend van mijn moeder zei dat ik dat overboord moest doen. Een knie op de rand, je piemel uit je broek en piesen. Maar hij begreep het niet – zo kon ik helemaal niet piesen, niet met mensen erbij en niet in een schommelend bootje. Ik zette mijn knie op de rand, piemel uit m’n broek en er gebeurde niets. Na een tijdje zei ik dat het niet lukte. De vriend van mijn moeder vroeg of we terug naar de kant moesten zodat ik kon piesen dan. Ik zei dat ik dat wel heel fijn zou vinden.

Terug aan de kant moest ik een plek vinden waar niemand me zou zien en die plek was er niet. Ik keek om. Mijn moeder en haar vriend keken naar me, dertig meter terug.

Ik ging staan en deed of ik pieste en liep terug. Gelukt, zei ik.

Mijn chauffeuses bleven in de taxi zitten. Ik liep een beetje rond. Er stond een rode Beretta met zijn achterklep open. De eigenaar zat aan de voet van de dijk. Hij had een simpele speedboot liggen. Maar wel aan de IJsselmeerkant, in het zoete water. De vriend van mijn moeder deed niet aan zoet water.

De vriend van mijn moeder ging er vaker heen, naar Breezanddijk, en soms ging ik mee, als hij me vroeg. Ik dronk niets. Als we terugreden, aan het eind van de dag, stopten we altijd bij een benzinestation om daar een broodje bal te eten en daar ging ik dan naar de wc.

Hij had een maat, een jongen die hij op de Noordpier had leren kennen, en die maat had een caravan. Met die maat had-ie afgesproken dat we in zijn caravan bleven slapen en dat we een paar dagen zouden vissen. De caravan stond op de strekdam, tussen een paar auto’s met trailers. Ik vroeg de tweede dag of ik terugmocht naar huis. Hij bracht me en zei niets tijdens de rit.

Mijn chauffeuses zaten rustig voorin hun taxi en ik stapte weer in. Nu al klaar? Ja, veel is er niet te zien.

De vriend van mijn moeder ging terug en de volgende dag werden we gebeld door de politie in Harlingen. De vriend van mijn moeder had zijn maat door de wand van zijn caravan geslagen en daarna was hij op ’m gaan zitten, zijn knieën op de bovenarmen en hij was doorgegaan met zijn vuisten. Ze hadden zitten drinken, jenever, en zijn maat had iets gezegd dat hem niet beviel.

Het wordt niet zo’n lang verhaal, zeiden mijn chauffeuses. Ach, zei ik, ik vertel wel wat er vroeger is gebeurd hier. En deze rit schrijf ik er ook wel in. O, zei de vrouw achter het stuur, ik ben ook al op televisie geweest, bij Man Bijt Hond.

De vriend van mijn moeder bleef een tijdje in de cel, en toen kwam-ie thuis. Thuis werd hij weer dronken en sloeg hij mijn moeder in elkaar. Dat deed hij tegen die tijd één keer per week.

Een paar weken later reden we naar Harlingen om de speedboot op te halen. Die hadden ze gehouden omdat ze wilden weten of-ie niet gestolen was. Heel veel speedboten waren gestolen, maar die van de vriend van mijn moeder was dat niet. Toen we ter hoogte van Breezanddijk waren, stopte hij. Uit de achterbak haalde hij een zakje met kleren die hij aan had gehad toen hij die maat door zijn caravan sloeg. Hij had een grijze joggingbroek gedragen en die was bruin van het bloed van die maat – vrijwel egaal bruin.

Mijn chauffeuses reden het viaduct over om naar de andere kant van de weg te komen, terug richting Den Oever. Ik vroeg of dat viaduct er toen al was. Nee, waarschijnlijk niet, vroeger moest je naar Friesland rijden om te keren. Ik zei dat ik mijn bus terug waarschijnlijk niet zou gaan halen. Zij zeiden dat ik ook beter via Anna Paulowna had kunnen gaan. Dat ze ook katten fokten, naaktkatten, en dat ze mensen die voor katjes kwamen altijd van Anna Paulowna ophaalden.

Ze zetten me af bij het busstation. Er wacht verder niemand en ik heb mijn bus gemist. De buschauffeur van de heenweg heeft tien strippen afgestempeld en misschien had ik er nog wel meer nodig, maar verder dan die tien strippen ging mijn strippenkaart niet. Misschien gaat de chauffeur van de terugweg er wat van zeggen.

Het regent nog steeds. Ik denk niet dat het ooit zonnig wordt op het busstation van Den Oever.

Ik moet piesen.

Er is geen toilet op het busstation dus ik steek de weg over, piemel uit m’n broek en ik pies, terwijl de auto’s achter me langsrijden.