Hoe Stalin Mologa deed verdrinken

Heel soms steekt Mologa zijn botten uit het water. De verdronken stad ging ten onder aan industrialisatie en terreur. Aflevering twee van een serie reportages langs de Wolga.

Aan de voet van een wegrottende fabriek zwemmen twaalf mensen in de Wolga. Op achtendertig kilometer voor de industriestad Rybinsk is de rivier zo breed als een zee. Zo noemen de Rybinskers hun deel van de rivier dan ook: de zee. En allemaal weten ze dat in die zee een verdronken stadje ligt, Mologa. „Het ligt kilometers verderop in het water, maar je kunt er niets van zien”, zegt badgast Sasja, als hij naar een vergulde strook zee aan de horizon wijst. Wat hij niet weet is dat Mologa in warme zomers, als het waterpeil enkele meters daalt, soms zijn botten uit de zee steekt.

In 1935 maakte Stalin bekend dat bij Mologa, waar de Wolga en de rivier de Mologa bijeenkwamen, een groot stuwmeer aangelegd zou worden om een nieuwe waterkrachtcentrale bij Rybinsk te bedienen, die ook Moskou van stroom moest voorzien. Aanvankelijk zou het waterpeil van dat stuwmeer op 98 meter boven zeeniveau komen te liggen. Het grootste gedeelte van het omringende land van Mologa zou daardoor op de bodem van dat meer komen te liggen, maar de stad zelf zou gespaard blijven.

In 1937 werd echter besloten het waterpeil te verhogen tot 102 meter boven zeeniveau, zodat de omvang van het meer vrijwel verdubbelde. Het was het doodvonnis van Mologa, dat op zo’n 100 meter boven zeeniveau lag.

De ontruiming van het gebied begon in hetzelfde jaar en duurde tot 1941. In totaal werden 130.000 mensen geëvacueerd. „Ze werden verspreid over de omliggende dorpen en stadjes”, zegt Snezjanna Jevsejeva, directeur van het in 1997 geopende Mologa-museum in Rybinsk. „En de meeste inwoners lieten zich zwijgend afvoeren, want de Stalinterreur was al volop bezig. Maar er waren er ook die de bouw van de waterkrachtcentrale toejuichten, omdat ze dachten dat die goed voor het vaderland was.”

Toen de stuwdam gereed was, werd op 14 april 1941 begonnen met het opvullen van het meer. De waterkrachtcentrale was toen nog niet af, maar werkte wel.

Eenheden van de NKVD (Stalins gevreesde veiligheidsdienst) werden naar Mologa gestuurd om de laatste inwoners af te voeren. Maar zo’n driehonderd van hen verzetten zich tegen hun gedwongen vertrek. Ze verschansten zich in hun huizen, ketenden zich vast aan kachels en deuren en verdronken samen met hun geliefde stad en 663 dorpen, 140 kerken en drie kloosters in de omgeving.

Om het stuwmeer en de waterkrachtcentrale aan te leggen werden dwangarbeiders ingezet, die grotendeels politieke gevangenen waren. „Officieel zijn er 150.000 om het leven gekomen bij het werk”, zegt Jevsejeva. „Maar we vermoeden dat het er drie keer zoveel zijn. De eerste lichting bestond uit Oezbeken, die het harde klimaat van Noord-Rusland niet gewend waren en binnen een paar maanden massaal stierven.”

In het in 1997 opgerichte museum, dat uit vier kamers bestaat met oude foto’s, wat archeologische voorwerpen en antieke meubels, wordt de verdronken stad herdacht. Jevsejeva: „Tijdens de politieke dooi onder Chroesjtsjov in de jaren zestig werd er voor het eerst over gesproken een museum aan Mologa te wijden, maar pas onder Gorbatsjov kregen die plannen een serieuzer karakter. Tot ze in de Jeltsin-jaren werden gerealiseerd.”

In een bejaardenflat een paar straten verderop woont de 84-jarige Valeria Kapoestina. Als kind maakte ze de evacuatie van Mologa mee. Zij eerde haar stad in veertien verhalen- en gedichtenbundels, die ze deels samen met haar zes jaar geleden overleden moeder schreef.

Mologa is voor haar het paradijs, waaruit de duivelse Stalin haar heeft verdreven. Haar permanente heimwee naar haar jeugd in het stadje werd daarna nog eens versterkt toen ze in de Tweede Wereldoorlog haar verloofde, haar vader en haar broer verloor. „Ons gezin moest in 1937 op stel en sprong de stad verlaten, omdat mijn vader, een voormalig tsaristisch officier, geen lid van de Communistische Partij was en niet wat meer tijd kreeg om zijn vertrek voor te bereiden”, vertelt ze aan de eettafel, omringd door foto’s van haar overleden dierbaren. „We mochten alleen onze laarzen, jas en bontmuts meenemen. Later kregen we nog wel ons huis terug, dat per schip naar Rybinsk was vervoerd. In ons gezin hebben we daarna nooit meer over Mologa gesproken.”

Ook Kapoestina verbaast zich er niet over dat bijna iedereen zich gedwee liet wegvoeren. „Iedereen was als de dood voor Stalin”, zegt ze. „Gelukkig hebben we tegenwoordig een goede leider, Vladimir Vladimirovitsj Poetin, die door God is gezonden en van zijn volk houdt.”

Dan is het tijd voor haar poëzie over de natuur en de velden rond Mologa. Kapoestina staat op en draagt uit het hoofd een lang gedicht voor. Haar stem klinkt teder. De sterrenhemel, de eerste liefde, het Russische moederland, ze worden op rijm gehuldigd. In het volgestouwde woonkamertje komt enkele minuten lang een idylle tot leven, om daarna weer voor enige tijd onder water te verdwijnen.

Michel Krielaars blogt op nrc.nl/moskou