We eten patat en voelen ons indringers

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: 1987. Overmatig drankgebruik op Zeeuwse jongerencamping.

„Als je ze hier een week opsluit, ontwikkelen ze hun eigen taal”, zeg ik tegen mijn vriend.

„Die hebben ze al.”

Het is een vroege zaterdagmiddag en de jongeren van de Zeeuwse jongerencamping Duin en Strand in Scharendijke, schuifelen in onwennige kluitjes voorbij. We eten patat bij de campingsnackbar en voelen ons indringers.

Achter ons zitten vier jongens waarvan de jongste twaalf lijkt. Maar dat kan niet, want je mag hier pas binnen als je zestien bent. Dan krijg je een polsbandje als bewijs van inwoning.

Jongeren die op zaterdag komen krijgen oranje bandjes, die van vrijdag krijgen gele. Wie ouder is dan achttien heeft bovendien lieveheersbeestjes op zijn polsband en daar wordt op gelet door zowel het bar-personeel als de andere jongeren. Lieveheersbeestjes zijn statusverhogend, ze geven toegang tot wodka en andere vormen van sterke drank. Zonder beestjes is 14,9 procent alcohol het hoogst haalbare.

De jongen achter me heeft een kaal geel bandje. Hij is hier pas sinds gisteren, maar de drank hakt er nu al in, dat kan ik zien aan de diepe frons waarmee hij tegen het waterige zonnetje in probeert te kijken. Hij wankelt als hij zijn sixpack witbierrosé onder de arm neemt en richting tent verdwijnt.

„Een vakantie in Zeeland hoorde er ook in de jaren zeventig en tachtig echt bij hoor”, zei de samenstelster van deze serie van tevoren. „Ga gewoon eens kijken Jowi, misschien vind je een band met je eigen verleden.”

Maar ik begrijp niets van de aantrekkingskracht van deze camping, die in de zomer uitsluitend door jongeren tussen de zestien en eenentwintig wordt bewoond. Buitenaardse wezens zijn het. Ik moet er niet aan denken dat ik met zijn zevenen in een tent zit met als enige doel om lazarus te worden. Of misschien moet je hier ‘zat’ zeggen. Met een dikke ‘zz’.

Toch is er wel een link met mijn verleden: overmatig drankgebruik. Ik mag dan niet van groepen houden, ik heb wel twaalf jaar achter de bar gestaan en al die jaren zocht ik in mijn vrije tijd naar de beste manier om geen kater te krijgen. Hoeveel ik ook oefende, het lukte nooit.

Op een avond opperde iemand dat pure wodka geen kater veroorzaakt, dat moest meteen getest worden. Ik herinner me dat ik wild aan het dansen was en iedereen lief vond, tot opeens de hele kroeg mee danste. En dan bedoel ik de vloer, de muren en mijn glas.

Ik weet nog dat ik mijn jas ging zoeken die ergens achter de bierkratten lag. Op die kratten zaten mensen die opzij moesten en dat deden ze natuurlijk niet. Ik boog evengoed naar voren en kwam een mond tegen. Das een mooie mond, dacht ik, die ga ik zoenen. Het was een perfecte zoen die ook vrij lang duurde, hoewel ik niet zou kunnen zeggen hoe lang. Er was een moment dat het stopte, er was een moment dat ik mijn jas vond en de kroeg uit stommelde.

Van tevoren fantaseerde ik bij camping Duin en Strand alleen maar bierkratten, kratten die een hoge muur voor iedere tent vormden. En achter al die kratten zaten al die jongeren te zoenen, uiteraard. Op YouTube zag ik lallende jongeren, met als dieptepunt een jongen die met zijn kop in een pisbak lag te slapen, gefilmd door een maat die steeds zo moest lachen dat het beeld er schokkerig van werd. Ik las op jongerensites dat de uitsmijters van de discotheek ‘bewakers’ werden genoemd en dat iedereen die zich niet aan de regels hield van de camping werd geworpen. Ouders waren bang voor seksorgies, jongeren vonden alles ‘supergezellig’.

De patat is op, we banjeren verder. Ik loop even bij de receptie naar binnen om de verschillen tussen de gaande en komende jongeren te bekijken. Wat blijkt, die zijn beter te ruiken.

Dat ligt niet aan de meiden trouwens, die ruiken naar winegums. Vier prachtexemplaren fietsen net voorbij, hysterisch gillend dat ze al te veel gezopen hebben om nog te kunnen fietsen. Ik kijk ze na met hun hartbrekend dunne ooievaarspootjes in skinny jeans en dan hoge hakken eronder. Hoge hakken op een camping.

Er wordt nauwelijks geflirt. Blijkbaar zitten de hormonen onderhuids of mis ik de geheime verleidingstekens. Bij de tenten zie ik slechts één bescheiden biermuurtje, eerder een stoeprand eigenlijk, maar die zal de komende week nog wel groeien. Een paar meisjes staan met Passao jus hun tanden te poetsen, uit een naburige tent klinkt de monotone dreun van house. Zo te zien zijn de meeste jongeren al begonnen met wat ze de rest van de week zullen doen: niets.

Wat me ook opvalt: er komen hier kliekjesmensen. Dat moet ook wel, want je gaat niet met zijn tweeën in zo’n reuzentent zitten. De kliekjesmeisjes hebben hun naam in goud op de achterkant van hun hesjes laten borduren, de kliekjesjongens dragen klompen en heten Pisse, Rambo en Pakman.

Met geen mogelijkheid kan ik me hier seksorgies voorstellen. Waar zouden die moeten plaatsvinden? In de tent die ze met zes zatlappen delen? In de wc’s? Op het strand misschien, maar dan heb je wel een Pakman met een goeie drankweerstand nodig.

„Hoe komt het trouwens dat jij destijds niet verder bent gegaan met die zoen?”, vraagt mijn vriend.

„Nou”, zeg ik en beschrijf de gigantische wodka-koppijn waarmee ik de volgende dag wakker werd. Het duurde tot het begin van de middag voor ik me de Zoen überhaupt herinnerde en toen wist ik eerst alleen de lippen nog, niet het hoofd dat erbij hoorde. Ik had wel een vermoeden.

„Jazeker”, zei Martijn, toen ik hem eindelijk wat stotterend belde, „en ik was met je meegegaan als het had gekund. Maar mijn vriendin zat naast me, nee inderdaad, dat had jij niet helemaal in de gaten, dus in plaats daarvan heb ik de hele nacht ruzie gemaakt.”

Er komt een groep stoere jongens aanlopen. Alleen al aan de diverse gradaties van baardgroei kun je zien dat ze de wodkafles die ze bij zich dragen verdienen.

„Ik wil een patatje”, verklaart de grootste, beginnende borsten onder een wit Hemahemd.

„Bier”, boert een ander, waar ze allemaal keihard om moeten lachen.

„Hee chickiez”, roept een derde naar drie meisjes met in goud San San, Jess en Ricky op de rug. Hij zwaait met zijn fles.

Je moet echt ladderzat zijn om met zulke jongens om te gaan, maar de meisjes denken daar blijkbaar anders over. Ze zijn net aangekomen zie ik aan hun maagdelijk oranje polsbandjes. Ze staren naar de armen van de jongens en giechelen omstandig.

Ik snap het opeens – begin ik jongerentaal toch een beetje door te krijgen - en stoot mijn vriend aan: „Ze komen natuurlijk op de lieveheersbeestjes af.”