Rouvoets worsteling met geloof en ‘public reason’

‘Geloof is een andere vorm van wetenschap’, stond boven het interview met vicepremier Rouvoet (Zaterdag &cetera, 26 juli). Hij stoort zich aan de vijandigheid die hem tijdens het debat over embryoselectie overspoelde. „Veel van de tegengeluiden gingen niet zozeer over wat wij als ChristenUnie zeiden, als wel over de uitgangspunten die men erachter vermoedde”, klaagt hij. Rouvoet is terecht van mening dat mensen „te weinig onderscheid maken tussen geloofsovertuigingen en politieke opvattingen”. Op deze laatstgenoemde is hij geheel aanspreekbaar. Over het geloof kun je echter „moeilijk een politiek debat voeren”. Toch laat hij dit geloof niet op zijn „nachtkastje liggen” wanneer hij naar Den Haag gaat, want de „ChristenUnie benadert de politiek [...] meer vanuit een Bijbels kader dan het CDA doet”. Voorts is de „ChristenUnie nog steeds tegen embryoselectie”, zodat het compromis in het kabinet het ‘ideaal’ van de partij nog lang niet verwezenlijkt.

Bezien vanuit politiek-filosofische optiek staan religieuze politici zoals Rouvoet voor een dilemma, dat in de Verenigde Staten inzet is van het debat over public reason. Enerzijds kan men menen dat een politicus in een pluriforme samenleving, hoezeer hij ook bewogen wordt door een bepaalde godsdienst, zijn politieke standpunten toereikend moet ondersteunen met argumenten welke een gewicht in de schaal kunnen leggen voor opponenten met een andere levensbeschouwing. In vakjargon geformuleerd: alle argumenten in de publieke arena van wetgeving en beleid moeten behoren tot public reason, zoals John Rawls en Jürgen Habermas hebben betoogd. Anderzijds vinden critici van Rawls dat deze beperking tot public reason van de in parlement en regering toelaatbare argumenten een onverdedigbare restrictie oplegt aan democratische politici. Waarom zouden zij niet als argument mogen inbrengen wat hen werkelijk beweegt? Maar dan moeten ze ook de moed hebben dat expliciet ter discussie te stellen.

Het dilemma voor Rouvoet is dus het volgende. Ofwel de ChristenUnie probeert een verbod op embryoselectie in Kamer en kabinet louter te verdedigen met argumenten die behoren tot public reason, ofwel ze voert ook religieuze argumenten aan. In het eerste geval loopt de ChristenUnie twee risico’s, zoals overduidelijk is gebleken. De argumenten worden te licht of zelfs immoreel bevonden, en men vermoedt dat de werkelijke beweegredenen van de partij elders liggen, zodat men de woordvoerders als hypocriet ervaart. Kiest de ChristenUnie deze eerste hoorn van het dilemma, dan heeft ze het aan zichzelf te wijten wanneer „veel van de tegengeluiden niet zozeer gingen over wat wij [...] zeiden, als wel over de uitgangspunten die men erachter vermoedde”. In het tweede geval moet de ChristenUnie zich begeven in een debat over haar grondslagen. Maar een dergelijk debat zal ze waarschijnlijk verliezen, indien het door de opponenten met deskundigheid wordt gevoerd. Het is dus niet onverstandig van Rouvoet dat hij zo’n levensbeschouwelijke discussie uit de weg gaat. Zoals hij zegt, is zijn geloof „niet irrationeel, maar bovenrationeel”. Door deze weigering het geloof ter discussie te stellen, wordt hij teruggeworpen op de eerste hoorn van het dilemma.

Hoe slecht de public reason-argumenten tegen embryoselectie (preïmplantatie genetische diagnostiek) bij erfelijke vormen van borst- en eierstokkanker zijn, blijkt uit de website van de ChristenUnie. Op deze website staat het ‘glijdende schaal’ argument centraal. Maar ten eerste kan de politiek een glijdende schaal niet vermijden. Sterker nog, ze is juist voortdurend voor de vraag geplaatst hoever men zich precies moet begeven op glijdende schalen, zoals: moeten we militaire missies verzorgen in Afghanistan? Dan zijn zorgvuldige en gedetailleerde afwegingen van waarden en belangen op hun plaats. Leden van families waarin erfelijke vormen van kanker grote drama’s hebben aangericht, zijn terecht diep verontwaardigd over het feit dat de ChristenUnie dit globale glijdende schaalargument gebruikt tegen embryoselectie tout court, in plaats van zich te begeven in een uiterst zorgvuldige afweging, waarbij het vermijden van menselijk leed zwaar telt. In hun ogen gaat bij de ChristenUnie religieus dogma boven medemenselijkheid en authentiek moreel besef.

Ten tweede begeeft de ChristenUnie zich door het regeringscompromis van een landelijke ethische commissie te steunen op een andere glijdende schaal, zoals de hoogleraren De Wert en Legemaate op 11 juni hebben betoogd: „het hellende vlak in de richting van een vérgaande bemoeienis van de overheid met de voortplanting en ongerechtvaardigde inbreuken op rechten van de patiënt”. Volgens deze auteurs is zo’n landelijke commissie volstrekt overbodig. Gegeven de wereldbeschouwelijke diversiteit in onze samenleving behoort een minister voorts terughoudend te zijn bij het opleggen van zijn particulier-sectarische morele opvattingen aan burgers.

Kan de ChristenUnie zich dan in het publieke debat beter expliciet op de Bijbel beroepen ter legitimering van haar standpunt tegen embryoselectie? Hier zijn de problemen zo mogelijk nog groter. Rouvoet geeft ruiterlijk toe dat embryoselectie in de Bijbel niet voorkomt. Aangenomen dat dit wel het geval was geweest, heeft een beroep op de Bijbel kans van slagen in een redelijk debat? Voor Rouvoet is zijn geloof „een andere vorm van kennis, van wetenschap – een andere manier van zeker weten”. Hij meent dit zeker-weten te bezitten ‘op basis van een boek’. In het publieke debat zal dan direct de vraag worden gesteld of de autoriteit van dat boek legitiem is. Berust deze autoriteit bijvoorbeeld op het feit dat de auteurs experts waren die goed gevalideerde kennismethoden hebben gebruikt, of wellicht op het feit dat ze geïnspireerd werden door een alwetende godheid? Wat we geleerd hebben van vier eeuwen historische bijbelkritiek en wetenschappelijke vooruitgang is dat het antwoord op beide vragen een krachtig ‘Neen’ moet zijn. In het debat over embryoselectie is het dilemma van public reason voor Rouvoet dus onoplosbaar.

Herman Philipse is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht.