Picknickdroom

Picknicken, het woord klinkt heerlijk, romantisch zelfs. Je stelt je er iets bij voor. Wandelen en brood mee is niet picknicken, evenmin als een bij de strandtent gehaald slaatje een picknick wordt als je dat in je strandstoel opeet. Picknicken is veel meer. In de bladen is het altijd iets met heel veel plaids in verschillende ruiten, en overal kussens (kussens gaan maar niet voorbij, als lifestylestatement) en grappige lampions en enorme parasols en gekleurde bordjes en kinderen in bonte jurkjes – je gaat vanzelf na een poosje zitten loeren waar de verhuiswagen verstopt staat waarmee dit alles vervoerd is.

Eigenlijk vraag ik me ook af of picknicken wel echt 2008 is. De buitenkeuken is twee jaar geleden aan een opmars begonnen. Dat is iets voor de ruimere tuin, waarin we ook de zogenaamde buitenkamer aantreffen – houten vlonders, overdekt, veel banken met – het is niet anders – kussens, die zowel poefig en ‘landelijk’ mogen zijn als strak en Japans. Japan is het nieuwe Italië, niet vergeten.

En bij die buitenkamer dan de buitenkeuken, voor enkele duizenden euro’s heb je er al één, met aanrecht en gootsteen en iets gedesigneds om een gasfles heen. Er horen geen dingen bij als afwasmachines, er hoort eigenlijk überhaupt geen afwas bij, die gaat gewoon naar binnen. Denkelijk. Bladen zijn nooit van de restjes en de resultaten, die zijn van de droom en de voorbereiding.

Soms als je in de tuin zit te eten (binnen gekookt, dat wel, bij voorkeur op het heetst van de dag, dan is het toch nergens uit te houden en kun je net zo goed binnen pruimentaart bakken) vraag je je wel af waarom je zo nodig zou moeten gaan picknicken, zonder de gemakkelijke stoelen, de echte borden, de warme spijsjes, de beschikbaarheid van ijsklontjes en gekoelde wijn.

Toch gedaan laatst. En echt: doe het ook. Er is niets heerlijkers dan helemaal buiten zijn als de zon zakt, het licht zien veranderen, de zachte neveligheid die bomen en boerderijen omhult, het nog wat opblinkende water, de ruimte, de stilte (behalve dat wij zelf dan geweldig zaten te kakelen). Als comfort voldoet een deken om op te zitten heel goed – als je al te stijf wordt van het zitliggen is het duidelijk dat we weer gaan inpakken.

En dan dat wat de picknick tot picknick maakt. Behalve het buiten zitten op een deken, de meegebrachte etenswaren. Een lunchpicknick kan sandwiches bevatten, maar in het algemeen moeten we toch zeggen dat boterhammen geen picknick zijn. Aardappelsalade is very picknick, en tijdloos.

Tabouleh kan natuurlijk ook (maar streng zijn hè, niet gewoon van alles door gewelde couscous gooien en dat tabouleh noemen: bulghur, munt, peterselie, komkommer, tomaat, lente-ui, citroensap en olijfolie, dat is het). Van alles kan, dat is eigenlijk het probleem. Je hebt al gauw het buffetsyndroom bij picknicks: veel niet bij elkaar passende dingen op één bord.

Dat moet voorkomen worden. Niet de aanzittenden moeten kiezen, de organisator m/v moet kiezen. Niet het eten moet de hoofdrol spelen, maar het buiten zijn, het uitzicht, het succesvol vermijden van koeienvla en brandnetels – het eten moet, zoals eigenlijk altijd, dienend aanwezig zijn. Ook al zijn er duizend dingen te bedenken die leuk en lekker zouden zijn. Dan gaan we maar duizend keer picknicken.

Poeh. Het werd tijd dat ik dit eens even tegen mezelf zei.