Nucleair huwelijk Amerika en India

President Bush wil de band met India bestendigen, als tegenwicht voor China.

Daarvoor gebruikt hij een omstreden akkoord over nucleaire samenwerking.

Het Indiase parlement heeft George W. Bush vorige week een grote dienst bewezen. Het gaf een nieuwe impuls aan een internationaal politiek project van de president, dat ingrijpende invloed kan hebben op de machtsverhoudingen in de wereld: het omstreden akkoord voor nucleaire samenwerking tussen de twee landen, dat een paar weken geleden nog ten dode opgeschreven leek.

Bush wil de sterk verbeterde relatie met India een stevige basis geven, die nog decennia mee kan. Door het land de mogelijkheid te bieden nucleaire brandstof en technologie te kopen, hoopt hij de opkomende Aziatische grootmacht aan zich te binden. Het is een strategische manoeuvre op wereldniveau, die Bush graag voor het eind van zijn presidentschap wil kunnen afronden.

In de onrustige regio waar India ligt – tussen buurlanden als aartsvijand Pakistan, Sri Lanka en Birma en rivaal China – kunnen de Verenigde Staten een bondgenoot goed gebruiken. Niet alleen is India de grootste democratie ter wereld, heeft het een vrijemarkteconomie en deelt het tal van politieke, economische en militaire belangen met de VS. Maar bovenal: het kan dienen als strategisch tegenwicht voor China, waarvan de Amerikanen de snelle opkomst met een mengeling van vrees en bewondering aanzien.

Sommige commentatoren hebben daarom het initiatief van Bush, dat hij in 2005 in Washington voorlegde aan de Indiase premier Singh, vergeleken met de historische opening die president Nixon in 1972 maakte naar China. Zoals Nixon in de Koude Oorlog China gebruikte als tegenwicht tegen de Sovjet-Unie, zo wil Bush India gebruiken in een machtsbalans met China.

Maar of die opzet slaagt, is nog onzeker. Critici verwijten Bush dat hij in strijd met de internationale regels een land tot de nucleaire wereldmarkt wil toelaten dat nooit het verdrag tegen de verspreiding van kernwapens (het Non-proliferatieverdrag, NPV) heeft getekend, dat een kernwapen heeft ontwikkeld en dat niet bereid is zich te onderwerpen aan inspectie van al zijn nucleaire installaties. De deal zou het hele stelsel van internationale afspraken over non-proliferatie ernstig ondermijnen.

Indiase tegenstanders van het akkoord hebben hun pijlen vooral gericht op de nauwere band met de VS, die de traditionele Indiase ongebondenheid in gevaar zou brengen. Maar na een chaotisch debat van twee dagen gaf het parlement vorige week toch steun aan premier Singh, en daarmee aan het akkoord dat diens regering met de VS heeft gesloten.

Pakistan, dat in de ruim zestig jaar van zijn bestaan drie oorlogen met India voerde, voelt zich miskend en verzet zich fel tegen het akkoord. Het zou een nieuwe nucleaire wapenwedloop op gang brengen. Pakistan is ook een kernmacht, heeft ook het NPV niet getekend en had graag dezelfde voorkeursbehandeling gekregen.

Belangrijker is hoe China zich opstelt. Maar Peking houdt zijn kaarten dicht tegen de borst.

Het akkoord moet nu eerst worden goedgekeurd door de bestuursraad van het Internationale Atoomenergieagentschap (IAEA), dan door de groep landen die nucleaire goederen exporteren (de Nuclear Suppliers Group, NSG – zie inzet) en ten slotte door het Amerikaanse Congres. Als lid van de NSG kan China nog roet in het eten gooien, maar de Amerikaanse diplomatie zal uit alle macht proberen dat te voorkomen.

In het Amerikaanse Congres lijkt voldoende steun te bestaan voor het akkoord, al is de vraag of de volksvertegenwoordigers nog voor ze dit najaar op de verkiezingscampagne gaan toekomen aan de behandeling. Zo niet, dan zal de volgende president de overeenkomst naar verwachting doorzetten, zowel McCain als Obama heeft zich erachter geschaard.

Veel Amerikaanse politici en commentatoren erkennen wel dat de overeenkomst met India op gespannen voet staat met het Non-proliferatieverdrag. De basis daarvan is immers de afspraak dat de vijf erkende kernmachten (de VS, Rusland, China, Groot-Brittannië en Frankrijk) hun nucleaire arsenalen zullen verminderen, en dat de andere 183 landen die het verdrag ondertekend hebben nooit kernwapens zullen verwerven. In ruil voor die toezegging krijgen zij toegang tot nucleaire technologie, die alleen voor vreedzame doeleinden gebruikt mag worden.

En nu krijgt India, als het akkoord in werking treedt, óók toegang tot nucleaire technologie en brandstof, maar zonder dat het daarvoor zijn kernwapens hoeft op te geven, het NPV hoeft te tekenen of al zijn installaties onder toezicht van het IAEA hoeft te stellen. Dat kan een bittere pil zijn voor landen die wél hebben afgezien van de ontwikkeling van een kernwapen. Hoe geloofwaardig is de strijd tegen de verspreiding van kernwapens nog, is hun tegenwerping, als India wegkomt met het ontwikkelen van een kernwapen, en nu zelfs beloond wordt met een aantrekkelijk samenwerkingsakkoord?

Maar voor de voorstanders in Amerika wegen al die tegenwerpingen niet op tegen het grote voordeel om van India, na decennia van kille betrekkingen, een strategische partner te kunnen maken. Bovendien, zeggen ze, stemt India wel in met inspectie van een déél van zijn nucleaire installaties door het IAEA. Zo komt er toch een zekere mate van controle over een belangrijk land dat tot op heden buiten ieder internationaal nucleair toezicht stond. Daarom ook heeft de directeur van het IAEA het akkoord toegejuicht als „een pragmatische manier om India binnen de non-proliferatiegemeenschap te brengen”.