In de natuur staat niet ‘tot hier en niet verder’

De politieke crisis rondom embryoselectie is inmiddels bezworen, maar de angst voor techniek is er nog altijd.

Jammer. Techniek helpt ons te emanciperen van het toeval.

De beslechting van het conflict rondom de embryoselectie was een politieke oplossing. Helaas is er geen ideologische winst geboekt voor een positieve houding ten opzichte van biotechnologisch ingrijpen. De vooroordelen en angsten daarover lijken nog even hardnekkig als daarvoor.

Is er een grens aan biotechnologisch ingrijpen als er ooit kanker, aids en Alzheimer mee voorkomen kan worden? Het lijkt mij evident dat er van alles wat zelfbehoud en welzijn verhoogt nooit te veel kan zijn.

Maar moeten daarom ingrepen die veroudering zouden kunnen stilleggen of zelfs omkeren, dan automatisch worden aangemoedigd? En geldt dat ook voor ingrepen waar je mooier, slimmer en sterker van wordt, waar je scherpere zintuigen van krijgt, of waardoor je minder slaap zou nodig hebben? Als de mogelijkheden van de technologie eindeloos zouden zijn, kom je dan niet onherroepelijk een natuurlijke grens tegen die aangeeft dat je moet ophouden nog méér te willen?

Waarschijnlijk niet. Nergens staat in de natuur geschreven: ‘Tot hier en niet verder’. Zoals alles in de evolutie, is de menselijke genenkaart het resultaat van toevallige mutaties met selectief voordeel. Vanwege dit fundamentele toevalskarakter van onze genenkaart, zijn we aan geen enkel voorschrift gebonden hem in zijn huidige vorm te consolideren. En al helemaal niet waar het onze biologische beperkingen – ziekte, veroudering en dood – betreft.

Evolutionair gezien hebben we zelfs carte blanche om het ontwerp van onze genenkaart zelf ter hand te nemen. Het staat ons vrij om de regie van onze oriëntatie op zelfbehoud en welzijn zelf te voeren, en waar mogelijk te faciliteren met uitbreiding en verbetering van vermogens en uiterlijke kwaliteiten.

De technologie moet het natuurlijk wel mogelijk maken. Volgens het rapport Converging Technologies for Improving Human Performance uit 2003, dat door de Amerikaanse National Science Foundation (NSF) en het Department of Commerce (DOC) is samengesteld, lukt dat steeds beter. Het rapport doet voorspellingen over de resultaten die de integratie van bio-, nano- en informatietechnologie de komende twintig jaar kunnen geven.

Het is net alsof je science fiction leest. Ze hebben het over implantatie van nanomonitoren en multifunctionele nanorobots die ziektes in een vroeg stadium detecteren en behandelen. Of over moleculaire protheses voor cellen, op het individu toegesneden medicatie en geavanceerde cel-specifieke gentherapie. En over ‘brain-to-brain’ of ‘brain-to-machine’ communicatie met neuro-ergonomische toepassingen. Het is een kleine greep uit de revolutionaire toepassingen die ons te wachten staan.

Van zulke gerespecteerde instellingen als het NSF en DOC hoef je geen loze en wilde speculaties te verwachten. De ontwikkelingen die ze schetsen mogen als reële mogelijkheden worden opgevat, waarvan de economische, medische, cosmetische en militaire voordelen zó groot zijn, dat ze zich alleen door een meteorietinslag laten afremmen.

Nu al bestaan er privéklinieken voor cel- en gentherapie. Ze zullen geavanceerder worden, met een breed aanbod van ingrepen. Eerst alleen betaalbaar voor miljonairs, later ook voor de ‘gewone man’. De zichzelf veredelende mens is de toekomst, maar tegen welke prijs?

Toen de mens voor het eerst een werktuig ter hand nam om zijn vermogens te verbeteren en gebreken te compenseren, zette hij ook de eerste stap naar symbiose met de techniek. Het was een belangrijke overwinning op het toeval, maar tevens het begin van een afhankelijkheidsrelatie. Door zich te emanciperen van het toeval, verbond hij zich aan de techniek. Nu komen we in een fase aan waarin mens en techniek zo sterk met elkaar verwoven raken dat we ze als een co-existente levensvorm kunnen gaan beschouwen.

Velen vrezen deze symbiose en waarschuwen ervoor – niet zelden met Frankenstein-achtige doemscenario’s. Het zijn de angstvisioenen van vooruitgangspessimisten. Ik zie vooral de toegenomen vrijheid. De Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588 – 1679) typeerde de menselijke conditie in zijn tijd als: nasty, brutish and short. Sindsdien zijn we ver gekomen en leven we met z’n allen langer, gezonder en beschaafder dan ooit.

Met ons streven naar zelfverbetering en zelfbeschikking zitten we in een avontuur dat nooit zal eindigen. Er zullen tragische fouten worden gemaakt. Maar wie gelooft in het aanpassend vermogen van de mens, ziet zijn versmelting met de techniek in vertrouwen tegemoet.

Marcel Zuijderland heeft filosofie en culturele antropologie gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam.