Het leven lacht Messias weer toe

Voor de nieuwe inwoners van de Amazone biedt het regenwoud vooral kansen. In het hart van de ontbossing plukken zij de vruchten van een afwezige federale overheid. Deel 2 van een korte serie.

De grootste bedreigingen voor een houthakker in de Amazone: muggen en cobra’s, ofwel malaria en slangengif. Vooral een beet van een cobra, zo zegt de 61-jarige José Messias do Reis Filho, kan fatale gevolgen hebben. Hij zegt: „Als houthakker zit je meestal ver weg van de bewoonde wereld. Voordat je bij een dokter bent, kan het te laat zijn. Ik heb het zien gebeuren. Maar verder is het een mooi leven.”

Ooit waren de dagen lang, de ochtenden koud en de inkomsten karig voor Messias. Hij was overgeleverd aan de grillen van zijn baas, de eigenaar van de boerderij waar Messias woonde en werkte, in de zuidelijke deelstaat Paraná. Niet meer dan 4 euro per dag verdiende hij. Totdat hij er op een dag genoeg van had en zijn spullen pakte. Hij vertrok naar de Amazone.

Nu lacht het leven hem toe, zegt Messias. Jaren geleden kwam hij hier aan, in Juína, een stadje in het Amazonegebied in het noorden van Mato Grosso, de deelstaat waar de meeste illegale houtkap van Brazilië plaatsheeft. Hij kon meteen aan de slag en heeft nooit zonder werk gezeten.

Soms zit Messias twee maanden achtereen in het regenwoud. Met nog tien andere mannen maakt hij dan, door middel van kappen en branden, een gebied van honderden hectares vrij, meestal voor de extensieve veehouderij. Zwaar werk, met de hand. „In het begin doen je polsen pijn, maar na een tijdje wen je er aan.”

En vooral: de inkomsten zijn relatief goed. Een dag werk levert zo’n 10 euro op. Hij zegt: „Dat is voor mij een grote vooruitgang.” Sterker nog: Messias bezit zo waar een eigen huis en zijn drie kinderen hebben goede banen kunnen vinden in en rond het stadje Juína. „In mijn vorige leven had dat er nooit ingezeten.”

De stad waar Messias woont, Juína, is in 25 jaar uitgegroeid tot een commercieel centrum in het noordoosten van Mato Grosso. Een stadje met enkele geasfalteerde straten die Avenida’s worden genoemd. Naast de dvd-zaak is een winkel die paardenzadels verkoopt. Megasupermarkten zijn er ook, net als talrijke kerken. Want Juína en omstreken hebben een enorme zuigkracht op evangelisten. Die proberen de vaak analfabete nieuwkomers voor hun genootschappen te winnen.

Het was ooit een plaatsje waar het regenwoud het landschap bepaalde. Maar het groen is nu uit het zicht verdwenen. De jungle is opgeslokt door de houtkap en heeft veelal plaats gemaakt voor extensieve veehouderij. Een van de oprichters van Juína, de huidige burgermeester Hilton Campus, is toevallig ook de grootste veehouder in de regio.

De oprichting was een gevolg van kolonisatiebeleid van de Amazone onder de Braziliaanse militaire dictatuur in de jaren zeventig. Van de percelen die beschikbaar werden gesteld aan de nieuwkomers, mocht maximaal vijftig procent van het aanwezige regenwoud worden gekapt. De rest moest blijven staan.

Het was een goedbedoelde regel, waar vrijwel niemand zich destijds aan gehouden heeft. Politie was er amper en bovendien in dienst van de burgermeester. De federale politie, die ook wordt ingezet tegen illegale ontbossing, is afwezig in Juína.

Wat de gevolgen daarvan zijn, is te zien buiten de bebouwde kom van Juína. Daar waar verharde straten tot een andere wereld behoren en zandwegen onontkoombaar zijn. Op weg naar de veehouderij van José Lino, tevens president van de vereniging van herenboeren in Juína, blijkt dat zo’n beetje het grootste deel van het gebied is ingenomen door veehouders. Het zijn uitgestrekte vlaktes, met kleine groepjes runderen en koeien. Door de toegenomen vraag naar vlees, in het bijzonder vanuit Azië, is de veehouderij een lucratieve bezigheid geworden.

Op het land van Lino, ongeveer 3.000 hectaren, lopen gemiddeld 4.000 runderen rond. Zelf heeft Lino geen tijd om de pers te woord te staan, maar even rondkijken mag wel. De landeigenaar is te druk met het organiseren van het jaarlijkse festival van Juína, waar alles draait om de rodeo. Veel is er op zijn land echter niet te zien: voornamelijk grote lappen grond, omheiningen, met af en toe een boom. Het is er vooral heet.

„Zo anders was het vroeger”, zegt Cícero Vincente, die als gids werkt en sinds 1979 in het gebied woont. „Er was oerwoud, het was koeler en vochtiger. Het klimaat is veranderd. De lucht is warmer en droger geworden. Ze hebben hier te veel gekapt.”

Het is een opmerkelijke uitspraak van iemand uit een stadje waar men zonder de minste gewetensbezwaren naar de ontbossing kijkt. Het is niet voor niets dat het secretariaat voor milieu van de gemeente ook dat voor landbouw en mineralen is.

In Juína herinnert weinig aan de Amazone. Typische Amazonevruchten als de buriti of capuaçu, die geschikt zijn voor het maken van sap, zijn er amper te vinden.

Toeristen komen er nooit. De enige buitenlanders die voet zetten in het stadje zijn Chinezen die hout komen kopen, en Canadezen die interesse hebben in de mineralen in de regio. Toen vorig jaar twee Franse journalisten, samen met enkele Greenpeace-activisten, Juína aandeden, werden zij onder druk van lokale politici de stad uitgezet, op het vliegtuig. Omdat ze anders toch alleen maar negatieve beelden over Juína zouden verspreiden.

In de lokale bibliotheek zijn, na even doorvragen, enkele mappen met foto’s te zien over het ontstaan van de stad. Plaatjes van mannen, met wapens losjes in hun korte broek gestoken.

„Dat was de tijd van de pistoleiros [gewapende mannen, red.]”, zegt Cícero Vincente. „Regelmatig werden er meningsverschillen over landeigendom uitgevochten met het pistool. Ook gewoon in de stad, op de markt, dan stonden ze met elkaar te duelleren. Het scheelt dat er nu politie is. Het was af en toe een beetje het Wilde Westen hier.”

De luchtfoto’s vertellen hoe het gebied er ooit uit heeft gezien. Mooi gekleurd groen regenwoud, een zandvlakte met een omvang van twee voetbalvelden en enkele barakken – de huisjes van de kolonisten. Foto’s van houthakkers met woeste haardossen, nonchalant rokend en leunend tegen enorme, gekapte boomstammen. Toen viel er nog wat te kappen.