Benen in en trek door

Binnenkort beginnen de Olympische Spelen in Peking.

nrc.next-redacteuren testen hun sporttalent. Kunnen ze – met wat training – meedoen aan de Spelen in 2012?

Dames vier opgelet, lichte mannen twee opgelet, lichte man één opgelet. Go! De megafoon schalt over het water. Drie roeiboten schieten over de plas. Tegelijk springen drie coaches op hun fiets. Ze scheuren langs de roeibaan en schreeuwen aanwijzingen: Kom op! Gaan! Trek door!

Het is 12 juli, de laatste dag van het trainingskamp van de Nederlandse juniorenequipe. De teams houden onderling wedstrijdjes op een roeibaan in Mechelen, de baan van het Belgische sportinstituut Bloso. De boten en hun coaches verdwijnen in rap tempo uit het zicht; alleen de doffe klappen die de roeiers met hun riem maken, zijn nog te horen.

Tweelingbroers Tycho en Vincent Muda (19) doen niet mee aan de minicompetitie. Ze voelen zich niet lekker vandaag. Maar de Muda’s zijn grote kanshebbers op het WK voor onder de 23 jaar. Dat klopt, de week na de training winnen ze brons op het WK in Brandenburg. Hun coach Jeroen Spaans, zelf voormalig olympisch roeier, geeft ze een goede kans voor de Olympische Spelen van 2012. Bij roeiers is de doorstroom na de Spelen groot, en de Muda’s behoren technisch gezien bij de beste van de wereld, zegt hij.

Met de tweeling – ik hou ze met moeite uit elkaar – ga ook ik op naar die Spelen. Althans, we doen een poging daartoe. Bij wijze van uitzondering mag ik in hun gele roeiboot. En ja, die boot kan omslaan, dus nee, ze doen liever geen wedstrijdje. De boot is negen meter lang, slechts dertig centimeter breed en kost 16.000 euro. Geen wonder dat broers en coach twijfelen mij in hun paradepaardje te zetten. „Laat haar voorin zitten”, zegt Tycho tegen zijn broer, „dan kun je zien wat ze doet”. Het ligt niet aan mij, verzekert hij: „Het lukt niemand de eerste keer een goede haal te maken.”

Toch vliegen we even later over de baan. Misschien dankzij mijn blauwe maandag roei-ervaring, meer dan vijf jaar geleden? Ik denk het niet, al wiebelend op het bankje heb ik Vincent hard nodig. Hij zegt precies wat ik moet doen. Armen strekken, rug naar binnen, benen in, riem in het water. Benen strekken, rug naar achteren, armen in. Af en toe gaat mijn riem te diep, dan weer juist te hoog, zodat hij het water helemaal niet raakt. Dan schiet ik naar achteren op het bankje. Ondanks mijn gestuntel prijst Vincent mijn talent.

Ik heb talent! Maar coach Jeroen Spaans zegt dat bijna iedereen kan leren roeien. Je moet kracht hebben, uithoudingsvermogen, en een beetje aanleg. Dat laatste heeft vooral met je lichaamslengte te maken: hoe langer hoe beter. Kracht en uithoudingsvermogen kun je trainen. Daarom is uiteindelijk de motivatie aan de top te komen volgens de tweeling het belangrijkst. „Je moet het echt willen, dan kun je heel ver komen.”

Aanpoten dus, dan kan zelfs ik 2012 halen, schiet door me heen. Totdat coach Spaans en ik onze krachten meten, in het sporthonk bij de roeibaan. Ik merk wat de termen kracht en uithoudingsvermogen betekenen. Op de ergometer, een stilstaand roeiapparaat, glij ik heen en weer op het bankje.

We gaan 250 meter roeien, tegen elkaar, maar al bij het oefenen zweet ik me te pletter. Dan het echte werk. Ik ga van start, zo hard als ik kan. Ik wil het goed doen, de jongens motiveren me en roepen aanmoedigingen. Mijn haar vliegt voor mijn ogen. Ik hoor de jongens, eerst hoopvol, dan vertwijfeld: nog vijf halen, nog zes halen, nog zeven, kom op...

Ik ga steeds langzamer. Het digitale klokje op de snelheidsmeter loopt op. Ik kan er niets aan doen, voel alleen nog maar de pijn in mijn benen en mijn hoofd dat ontploft. Ik hijg als een dolle hond en schaam me voor mijn slechte conditie, maar de jongens zeggen dat het best goed ging: 54,6 seconden.

De twijfel over mijn prestatie groeit als Jeroen Spaans op de ergometer plaatsneemt. Alles ziet er gemakkelijk uit. Soepel zet hij kracht, alle halen lijken dezelfde power te hebben. Hij eindigt ruim 11 seconden sneller dan ik, in 42,7. Met moeite ontwaar ik beginnende zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd.

Om de top te kunnen halen, is meer nodig dan talent. Al doen de woorden van de coach me goed. Hij zegt dat ik een kans heb gemist, vijf jaar geleden. De volgende nacht denk ik daar heel anders over als ik wakker word omdat mijn armen niets meer willen. Zure, heftige spierpijn.