Wielerjournalisten in verwarring

De Tour werd in 1903 opgezet om dalende oplages bij kranten tegen te gaan. Maar de tendens is verschoven van heroïek naar dopingverhalen.

De Tour de France en de media zijn sinds de eerste editie van de wielerwedstrijd onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze kunnen niet zonder elkaar, sinds een Franse hoofdredacteur van het dagblad l’Auto-Vélo in 1903 besloot een wielerronde te organiseren om het dalen van de oplagecijfers te keren. En nog altijd grijpen kranten, tijdschriften en radio- en televisiezenders de Tour aan om meer belangstelling voor hun medium te trekken.

En met succes. Niet alleen in Frankrijk, maar ook in andere traditionele wielrennaties als Italië, Spanje, België en Nederland, en in steeds meer andere landen wordt de Tour gebruikt om zieltjes te winnen. Bovendien is het tijdens de Tour zomer: komkommertijd. Het parlement is op reces, mensen nemen vakantie, het grote wereldnieuws is schaars. Serieuze zaken worden vervangen door vertier en marginale opwinding.

Sport is altijd een goede manier geweest om de zinnen te verzetten. Sinds een decennium is er een nieuw fenomeen dat niet mag ontbreken in de sportverslaggeving omdat het voor nog meer opwinding zorgt: doping, met al zijn medische, sociologische, juridische, ethische en politieke facetten.

Weer een aanleiding om de Tour aan de man te brengen. Kolommenlang wordt in kranten uitgeweid over doping, urenlang wordt er op radio en tv over gesproken. De Franse heren Henri Desgrange, Géo Lefèvre en Paul Giffard, de mensen die de Tour hebben bedacht, hadden niet kunnen bedenken dat ruim honderd jaar later de Tour leeft als nooit tevoren. Niet alleen de media die louter kunnen overleven door sportverslaggeving, met hun voorkeur voor drama, ook media die zich tot doel hebben gesteld de sport volgens de wetten van de ‘andere’ journalistiek te benaderen, profiteren van het verschijnsel Tour.

Sportjournalistiek kent al meer dan honderd jaar zijn eigen regels. Zo hebben genoemde hoofdredacteuren het ook bedoeld. Niet het nieuwsachtige wedstrijdverloop is lezenswaardig, maar de manier waarop het wordt beschreven. Heroïek, lijden, de kunst van het grenzen verleggen en het overleven, dat moest op prozaïsche wijze worden beschreven. Een journalist die zijn gevoel niet volgt en beschrijft, had er niets te zoeken. Niet nieuw. Al ten tijde van de Grieken werden homerische gedichten geschreven als eerbetoon aan triomferende atleten. En niet door de eersten de besten. Zo zou het nog steeds moeten zijn.

Franse en Italiaanse schrijvers als de chroniqueurs Dino Buzzati en Antoine Blondin zijn er nauwelijks meer. Zij waren mannen die als beschouwers de Tour de France en zijn Italiaanse tegenhanger de Giro d’Italia, vanuit hun spirituele, filosofische voorkeur neerkeken op de zwoegende wielrenners. Zij waren ook jarenlang de inspiratiebron voor Tourverslaggevers.

Twee decennia geleden besloten Franse kranten als Libération en later Le Monde de Tour én de sport op een degelijk journalistieke, dus saaie manier te beschrijven. Le Monde berichtte liever over de manier waarop renners elkaar omkochten, betichtten van dopegebruik en over ethiek van de sport. Dat was wat anders dan wat de goed geïnformeerde organisatiekrant l’Equipe publiceerde: een mengeling van mooie verhalen, roddels en opgewonden nieuws.

Sinds Jan Ullrich in 1997 de Tour won, zijn ook de Duitse media geïnteresseerd. Massaal trokken ze plotseling naar Frankrijk. Even massaal trokken ze zich terug toen het vermoeden postvatte dat Ullrich en renners van zijn Duitse ploeg doping hadden gebruikt. Uitzendingen van de publieke omroepen ARD en ZDF werden gestaakt. De ARD besloot een dopingredactie (15 mensen) te vormen. De Frankfurter Allgemeine Zeitung en de Süddeutsche Zeitung gaven voorrang aan verhalen en commentaren over doping in het wielrennen. De Berliner Zeitung bracht alleen een column over doping. Nu ze weer terug zijn in de Tour, doen ze dat nog steeds.

Wie zich als journalist van buiten in de wielerwereld meldt, wordt argwanend ontvangen. Niet alleen door wielrenners en organisatoren, maar vooral door wielerjournalisten. De journalist uit de grote wereld komt even de wielerwereld, met zijn kongsies en incestueuze gedrag, doorprikken. Pas op! Mede daardoor raken wielerjournalisten in verwarring. Een winnaar is ‘verdacht’. Moeten ze nu schrijven dat zelfs renners die in hun netwerk van integere mensen staan, bedriegers zijn? Pierre Chany, een gezaghebbende journalist van l’Equipe, werd woedend omdat Tourwinnaar Jacques Anquetil in de jaren zestig aan ‘andere’ journalisten had verteld dat hij doping nam. Chany wist het al. Waarom moest Anquetil het nu aan de buitenwereld vertellen?

Wat nog te schrijven als álle media zich op de mythologische wereld van de Tour storten? Heroïek en drama? Afkeur of mededogen? Voor een journalist van de oude stempel wordt het steeds lastiger, nu ook de grote wereld inzage wil in deze private onderneming.

Iedereen wil profiteren van de Tour. De Franse politiek maakt een vuist, de Duitse politiek wil hetzelfde. Uit een lezersonderzoek van Bild-Zeitung bleek vorige week dat een ruime meerderheid geen zin meer heeft in de Tour, omdat het toch bedriegerij is. ARD en ZDF gaan door. Omdat, zegt een woordvoerder, de Tour de mensen altijd bezighoudt.