Vrouwtje blauw

Er stonden koffiekopjes op de vensterbank van de vogelhut, er lagen krentenbolletjes, er stonden spulletjes – alsof de hut al bewoond was. Wij kwamen dan ook wat beschroomd binnen en zwegen bedeesd. In vogelhutten kan een gewijde stilte heersen die enerzijds op verfijnd genot lijkt te wijzen, anderzijds op een bijna jaloerse onwil om te verraden wat er te zien is. Het maakt beginnende of ongevormde vogelaars nogal angstig om te vragen wat ze zien – blijkt het ‘gewoon’ een grutto te zijn dan voel je je oliekoekendom.

Maar ja, onkunde breekt toch door alles heen, dus je kunt maar net zo goed wél vragen welke van die meeuwachtigen nu de geroemde reuzensterns zijn (wel eigen kenner meenemen! geen domme vragen aan vreemde vogelaars) en toen bleek het bewonersechtpaar ook nog zo beroerd niet en vertelde waar de goudplevieren zaten. De vrouw wees onze kenner op een kiekendief, ‘vrouwtje blauw’ zei ze erbij en onze kenner (wij hadden echt een topkwaliteit kenner mee) keek en zei ‘mannetje bruin’ en somde meteen de doorslaggevende kenmerken op en daarna werd hij alleen nog maar met eerbied behandeld, want kwaliteit, net zo goed als onwetendheid, herken je altijd.

Onze kenner kon ook heel goed de vogelmuziekjes onderscheiden, hij had aan een halve noot genoeg om onzichtbare vogeltjes toch op te sporen.

Benijdenswaardig. Niets is zo bevredigend als kennis van de wereld om je heen. Hoe veel beter zou je leven als je niet steeds op de fiets dacht: bloeiende schermbloemen, witte en daar gele, maar: wilde peen, wilde pastinaak. Elke naam die je aan je assortiment toevoegt, verbetert je leven. Het kwetterige gezang uit het riet: de kleine karekiet. Dat koren op de akker: rogge. Die enorme boom met zijn kronkelige takken: es.

Gisteravond was minister Plasterk zomergast en hij liet allemaal goeie dingen zien en hij sprak ook verstandig en levendig, maar het aardigste moment was toch eigenlijk toen hij zo graag zijn iPod wilde laten zien. Omdat hij het zo geweldig vond dat je daar ook filmpjes op kon laden en kijken. Misschien heeft hij hem ook nog niet zo lang en overvalt hem daarom ook nog steeds dat gevoel van verrukking en verwondering. Zo klein! Zo licht! En er kan zo veel in!

Kreeg ineens een idee: een vogelgids met geluid en foto’s en eventueel filmpjes (vliegbeelden) op de iPod. Zou dat niet geweldig zijn? Dat als je denkt: „hoor ik daar nu de fitis?” dat je snel even kunt kijken bij fitis? En dan hoor je meteen het geluid en dan weet je het zeker. Geen idee trouwens hoe dat zou moeten werken, want je wilt niet door kilometerslange menu’s hoeven zwoegen om je fitis te bereiken, en iets intikken kan niet op een iPod. Hmm.

Eigenlijk is het allerfijnste niet om in de vogelhut te gaan wonen of je iPod als een vogelkenner in te richten, maar om gewoon in de tuin en op je wandelingen de vogels te herkennen die in de buurt horen. Dan voel je je thuis. Zag laatst een zwarte roodstaart in de tuin (dacht natuurlijk eerst: wat is dát?) en als ik hem nu nog eens zie kan ik denken: ha. Daar is-ie. Woont hier. Net als ik.

Al denkt hij waarschijnlijk niet: mens. Vrouwtje wit.