Sneller? Man ik ben kapot

Op 8 augustus beginnen de Olympische Spelen in Peking. Nrc.next-redacteuren meten in een serie hun talent met professionele sporters. Zouden de redacteuren echt in staat zijn mee te doen aan de Spelen in 2012 in Londen? Vandaag: het baanwielrennen.

Sportpaleis Alkmaar, de kantine, 13.30 uur: Het Nederlands juniorenteam baanwielrennen is klaar met de ochtendtraining. De hoofden zijn nog rood. Zwijgzaam werken de renners glazen gele sportvoeding en boterhammen met hagelslag naar binnen. De meesten zijn rond de zeventien, achttien, hooguit twintig. Het team bereidt zich voor op het WK baanwielrennen voor junioren in Kaapstad (12-16 juli).

Coach Jan de Graaf, al meer dan tien jaar bondstrainer, zit tussen zijn pupillen. Met deze leeftijd werkt hij het liefst. „Het zijn allemaal haantjes hoor. Maar dring tot ze door, en je kunt ze echt nog wat leren.”

En jawel, er zitten een paar grote talenten tussen. De nieuwe Theo Bos? Waarom niet? Als ze maar topsportmentaliteit kunnen opbrengen. Hij heeft al zoveel talent stuk zien lopen. Jongens en meiden die liever kozen voor studie. Een vriendinnetje. Of zij die in de jeugd zoveel wonnen, dat ze als het er écht om ging niet met verlies konden omgaan.

Michael Vingerling (18), Nederlands kampioen junioren op de baan in verschillende onderdelen, is een van die grote talenten. Hij mist volgens zijn coach nog power, maar zijn tijden gaan hard vooruit. Hij gaat niet zo veel uit. Om tien uur naar bed, zegt hij zelf. Elke dag hetzelfde ontbijt: drie boterhammen met jam. Zijn ouders pushen hem niet zo, al gaan ze net als enkele anderen wel mee naar Kaapstad. 1.100 euro voor een ticket betalen ze per persoon.

14.30 uur. De boterhammen zijn op. De coach, Michael en ik lopen naar de baan. Het oorverdovende geluid van de derny’s (brommertjes, die voor de renners uitrijden om hen op snelheid te houden), is al in de koude catacomben van het stadion hoorbaar. Ik trek een wielrenoutfit aan en krijg een fiets toegewezen. „Schrik niet. Een baanwielrenfiets kan niet remmen”, waarschuwt De Graaf.

De trappers van de fiets blijven automatisch doordraaien als de fiets op snelheid is. Vaart minderen kan alleen door de roterende trappers wat tegen te houden. Mijn voeten zitten vast met strakgetrokken riempjes in de pedalen. Afstappen is alleen mogelijk als iemand me opvangt.

Twaalf rondjes achtervolging van 400 meter rijden we, Michael start aan de ene kant van de baan, ik 200 meter verderop.

Ronde 1: Met een duw van de coach in mijn rug ga ik van start. Ik denk aan de aanwijzingen. Hou de zwarte lijn, hou de zwarte lijn. Handen onderin de beugels. Daar komt de eerste bocht. Mijn vingers doen pijn, zo hard knijp ik in het stuur. Wat hang ik scheef. Waarom val ik niet? (Mijn rondetijd: 29,80 seconden, die van Michael: 21,29).

Ronde 2: Oké, harder nu. Mijn hart bonkt snel. Michael rijdt me voorbij. Als ik nou zijn wiel kan houden. Maar ik durf niet harder. Want mijn stuur begint te trillen als ik meer snelheid maak. (23,80, Michael 18,22).

Ronde 6: Mijn kuiten steken. Ik adem snel, zonder ophouden. Mijn longen. Ik kijk opzij als ik de coach passeer. Dom, dom. Ik wijk van de zwarte lijn af en schiet de bovenkant van de baan in. Wat hoog ineens. Draaien, draaien. (24,30. Michael 18,85)

Ronde 8: „Nog vijf rondes. Sneller nu”, roept de coach. Sneller? Man, ik ben kapot. Tong uit mijn mond. Kwijl in mijn mondhoeken. Michael fietst me voor de tweede keer voorbij. Ik schud mijn hoofd. Even denk ik aan Theo Bos. En aan hoe snel hij wel niet moet zijn. (26,24. Michael 19,27).

Na twaalf rondes hang ik uitgeput over mijn stuur als ik de finish passeer. Michael (eindtijd 3.49 minuten) is me (eindtijd 5.03 minuten) drie keer voorbijgereden na 3 kilometer. Weggevaagd door een jongen van 18. „Je hebt je wielrenbroek verkeerd om aan”, roept hij me lachend toe als hij me bij het uitfietsen voor de vierde keer passeert.

(Michael Vingerling werd enkele dagen later op het WK in Kaapstad wereldkampioen op het onderdeel scratch)