Pijpenstelen

Zoals menigeen bekend zal zijn, heeft een pijp een kop, een steel en een mondstuk. Voor de fabricage van pijpen bestaat een eigen terminologie, met woorden als pijpenlooier en pijpendraaier, maar die laten we hier links liggen, want het gaat ons niet om het specialistische jargon, maar om de positie van de pijp in de algemene taal. Veel pijpwoorden en -uitdrukkingen zijn inmiddels in onbruik geraakt of alleen nog regionaal bekend, maar dat geldt voor flinke delen van onze woordenschat.

Een kop, een steel en een mondstuk dus. Er zijn verschillende planten die pijpenkop of pijpensteel worden genoemd, naar de overeenkomst in vorm. In Vlaanderen werd pijpenkop aan het begin van de 20ste eeuw gebruikt voor ‘iemand met een dom voorkomen’ en als spotnaam voor een ‘aanhanger van de katholieke of conservatieve partij’. Het zal geen toeval zijn dat deze woorden ontstonden in een tijd dat de pijp in een hoog tempo werd verdrongen door de sigaret; pijproken werd indertijd kennelijk geassocieerd met ouderwets, conservatief en achterlijk.

De pijpensteel komt onder meer voor in een van de bekendste uitdrukkingen voor ons klimaat: het regent pijpenstelen. Men zegt dit van harde regen, die in rechte stralen neervalt, stralen die lijken op de lange witte stelen van de Goudse pijpen. Die stelen waren heel rank, vandaar uitdrukkingen als benen gelijk pijpenstelen en zo dun als een pijpsteel. De eenvoudigste Goudse kleipijpen waren niet veel waard, vandaar dat men zei: dat is geen pijpensteel waard. Van een kortademig iemand zei men zijn asem is zo kort als een pijpsteel. Een lezer uit Limburg stuurde de uitdrukking je kunt het niet fijner opmaken dan door een pijpensteel (je geld) en in Friesland zeggen ze de wereld door een pijpensteel zien voor ‘weinig ruimdenkend zijn’.

Goudse pijpen werden opgeborgen in rekjes, staanders of sleevormige bakjes (de pijpenslee), maar ook in een speciale smalle lade: de pijpenla. Ik gebruik pijpenla al mijn hele leven in de overdrachtelijke betekenis (‘ruimte die lang en naar verhouding zeer smal is’) zonder er ooit bij te hebben stilgestaan dat er lades voor pijpen hebben bestaan. Curieus is overigens hoeveel woorden de Grote Van Dale vermeldt voor ‘stokje of staafje om pijpenkoppen mee schoon te maken’. We vinden baleintje, doorsteker, smeeltje, peuter, pijpendoorsteker, pijpenkoter, pijpenkrabber, pijpenpeuter, pijpenrager, pijpenrooier, pijpenstrootje, pijpenwisser, pijpenwroeter, pijpschoonmaker, pijpuithaler en uithaler. Nou snap je waarom dat woordenboek zo dik is geworden.

Interessant is dat het pijproken als tijdsaanduiding wordt gebruikt. In Friesland zeggen ze dat ze een pypskoft nemen, een korte pauze, oorspronkelijk een korte onderbreking om een pijp te roken (pypskoft betekent ‘pijppauze’, een woord dat op internet in een heel andere context wordt gebruikt). Een pijpvol praten wordt in het Fries gebruikt voor ‘even babbelen’ (eigenlijk: de inhoud van een pijp lang praten), en in het Limburgs is opgetekend eerst een pijp stoppen en dan ’t paard uit de sloot halen voor ‘bezint eer ge begint’. En wie zegt dat wordt een pijpvol, bedoelt ‘dat wordt een heel karwei’. Tot slot een Hollandse volkswijsheid: je moet wel aan de twee kanten van de pijp trekken. Dit betekent ‘je moet wel alles in de gaten houden’. (Wordt vervolgd.)

Ewoud Sanders

Reacties en aanvullingen naar sanders@nrc.nl