Obama: slecht in Berlijn, perfect in Parijs

Obama’s grootste probleem is zich te presenteren als potentiële opperbevel-hebber, stelt Roger Cohen. Naast Sarkozy sloeg zijn boodschap van de nieuwe generatie beter aan.

Dit is het moment en de stad om Obama tegen het licht te houden. Hij was slecht in Berlijn en vlekkeloos in Parijs. Komt dat alleen maar door zijn intellectueel-artistieke uitstraling? Of gaat het dieper?

Obama staat model voor het vernieuwde Amerika; hij doet de Europeanen denken aan het land van de onbegrensde mogelijkheden, ver van hun vermoeide kusten en beperkte ruimten, dat F. Scott Fitzgerald schetste aan het slot van The Great Gatsby: „Een vluchtig, opgetogen ogenblik moet de mens bij dit continent zijn adem hebben ingehouden, genoopt tot een esthetische overpeinzing die hij begreep noch wenste, voor het laatst in de geschiedenis oog in oog met iets wat evenredig was aan zijn vermogen tot verwondering.”

De Europeanen eisen verwondering van de Verenigde Staten, misschien wel omdat ze Fitzgeralds „frisse, groene borst van de nieuwe wereld” nog altijd als hun uitvinding beschouwen. Afgezien van zijn oorlogszuchtigheid zullen de Europeanen George W. Bush nooit zijn saaiheid vergeven. Nooit heeft dat presidentiële pruimenmondje ook maar één droom opgeroepen.

Dan verschijnt de swingende kruising tussen Afrika, Kansas en Hawaï à la Camelot ten tonele. Maar Berlijn is niet zijn podium. Na JFK’s Ich bin ein Berliner en Reagans „Meneer Gorbatsjov, breek deze muur af!” kon Obama in een omgeving met zoveel spoken uit de Koude Oorlog geen nieuw elan oproepen.

Alles was verkeerd: een triomfzuil terwijl hij nog moet winnen, een dorre parallel tussen de bestrijding van het communisme en de bestrijding van het terrorisme, en een opeenhoping van brave gemeenplaatsen. ‘Presence’ ontbrak: de Amerikaanse Homo Novus straalde de wereld van gisteren uit.

„Dit is het moment”, zei Obama tegen de Berlijners met hun afkeer van kernenergie, „om eendrachtig onze aarde te redden. Laten wij besluiten onze kinderen geen wereld na te laten waar de oceanen stijgen en hongersnoden om zich heen grijpen en vreselijke stormen ons land verwoesten.” Ja, Barack, en laten we fraaie luchtkastelen bouwen die nooit door boze tongen zullen worden neergehaald.

Obama hield een briljante toespraak over de rassenkwestie, doorweven met de waarheid die hij had verworven door persoonlijke ervaring en een kritische geest. Hij hield een slechte toespraak over de lessen van de Koude Oorlog omdat hij die nooit heeft meegemaakt. In plaats van te spreken in de Tiergarten, had hij moeten spreken in de Jardin du Luxembourg, een omgeving die past bij zijn uitdaging van het conventionele denken.

Parijs is meer zijn stad en dat was te zien. De pas-de-deux Obama-Sarkozy was meeslepend. Obama slaagde voor zijn kritieke examen als opperbevelhebber: hij was trefzeker, krachtig, geruststellend; al het Berlijnse gewauwel was geschrapt.

Naast hem kon de Franse president zijn mond niet stilhouden, alsof hij kauwde op de pittige, prikkelende nieuwheid van zo’n verleidelijke Amerikaanse vriend. Nicolas Sarkozy kreeg zelfs de naam van John McCain niet uit zijn mond: „Ik wens Barack Obama dan ook veel geluk. Als hij gekozen wordt, zal Frankrijk opgetogen zijn. En als het iemand anders wordt, zal Frankrijk vrienden met de Verenigde Staten van Amerika zijn.”

Als dat geen steunbetuiging aan Obama van het Elysée is, weet ik het ook niet. Natuurlijk: de wereld is kleiner geworden. Obama verdiende de bijval. Hij ontleedde de karikaturen die de Amerikaans-Europese betrekkingen hebben ondergraven (het militaristische Amerika van Europa, de Europeanen-die-geen-vuile-handen-willen-maken van Amerika). Hij wees op de verdienste van Sarkozy bij de afbraak van „tal van deze stereotypen”. Hij gaf een beknopte samenvatting hoe de Amerikaanse macht gehanteerd dient te worden: „Een doeltreffende Amerikaanse buitenlandse politiek zal niet alleen berusten op ons vermogen macht uit te oefenen, maar ook op ons vermogen te luisteren en consensus op te bouwen.”

Op alle specifieke punten slaagde hij met glans. Hij noemde de ontluikende speurtocht naar vrede tussen Israël en Syrië een mogelijke ‘spelverandering’ die onvoldoende Amerikaanse aandacht heeft gekregen. Hij riep op tot een „gestage en behoedzame” terugtrekking van de troepen uit Irak, gelet op de verbeterde veiligheid. Hij verbond de twee extra VS-brigades in Afghanistan met een oproep tot een grotere inzet aldaar door de NAVO-bondgenoten. En hij waarschuwde Iran niet op de volgende president te wachten bij de stopzetting van zijn „clandestiene atoomprogramma”, omdat de druk „alleen maar toe zal nemen”.

Dat was een winnend optreden. Twee van de drie Amerikanen geloven nog altijd dat McCain een betere opperbevelhebber dan Obama zou zijn. Dat is dé hindernis die de Democratische kandidaat moet nemen om een voorsprong om te zetten in een overwinning in november. Zijn stoere charme in Parijs heeft daarbij geholpen.

Er zijn nog altijd twee Obama’s: de boulevardier die met afhangende schouders en handen in de zakken allesbehalve presidentieel uit zijn bespreking met Hamid Karzai in Kabul komt slenteren, en de zelfbewuste geboren leider naast medevernieuwer Sarkozy. Alleen de overbrugging van deze kloof scheidt hem nog van het Witte Huis. Nu bijna 80 procent van de Amerikanen vindt dat hun land de verkeerde kant opgaat, zoeken zij net als de Europeanen een zekere verwondering. De uitstraling van Obama moet een evenwicht vinden tussen geruststelling en vernieuwing. Het examen voor opperbevelhebber kan niet alleen worden gehaald met een conventionele opstelling. Dat is het terrein van McCain. Op Obama’s weg van de Berlijnse conventionele politicus naar de Parijse heraut van een generatieverschuiving ligt zijn sleutel tot „de laatste en grootste van alle menselijke dromen”.

Roger Cohen is columnist van The New York Times © IHT