Obama idealist? Optimistisch ja, maar niet naïef

Een naïeve, halfzachte idealist die vijanden denkt te kunnen bezweren. Zo typeren critici Barack Obama.

Maar zijn buitenlandvisie is juist ongewoon realistisch.

De kritiek op Barack Obama, wat zijn buitenlandse politiek betreft, is dat hij een halfzachte idealist is die de vijanden van Amerika denkt te kunnen bezweren. John McCain en zijn campagnestaf, conservatieve columnisten en rechtse bloggers schilderen een beeld van een linkse dromer die de gevaren van de wereld weg wenst. Zelfs president Bush mengde zich eerder dit jaar in de strijd door Obama’s bereidheid om met tirannen te praten als naïef te veroordelen.

Deze kritiek is niet terecht. Uit Obama’s ideeën over buitenlandse politiek komt een wereldbeeld naar voren dat zeker niet typisch links is, maar dicht bij dat van een traditionele realist ligt. Het is interessant om op te merken dat Obama historisch gezien op buitenlands-politiek terrein een koele conservatief lijkt te zijn en McCain juist een vurige idealist.

Geen enkele presidentskandidaat heeft ooit beweerd een doctrinair wereldbeeld te hebben. Richard Nixon heeft nooit gezegd dat hij van Realpolitik hield. Jimmy Carter heeft nooit beweerd dat hij een navolger van Woodrow Wilson was. Het is nadelig om in een hokje te worden geplaatst en de meeste politici zeggen slim dat ze het beste van alle tradities willen combineren. Dus noemt John McCain zich een „realistisch idealist”. Voormalig nationale-veiligheidsadviseur Anthony Lake, nu adviseur van Obama, noemt zich een „pragmatisch neo-Wilsoniaan”. Minister Rice van Buitenlandse Zaken omschrijft zichzelf als „Amerikaans realist”.

Obama spreekt zelden op de moralistische toon van de regering-Bush. Hij verdeelt de wereld niet in goed en kwaad, ook niet als hij over terrorisme praat. Hij beschouwt landen en zelfs extremistische groepen als complex en evenzeer gedreven door macht, hebzucht en angst, als door pure ideologie. Zijn belangstelling voor diplomatie lijkt ingegeven door het besef dat we landen en bewegingen kunnen leren kennen en mogelijk uit elkaar kunnen spelen en beïnvloeden, juist omdat het geen monolieten zijn.

Toen ik bijvoorbeeld met hem over het islamitisch extremisme sprak, beklemtoonde hij herhaaldelijk de diversiteit binnen de islamitische wereld en sprak hij over Arabieren, Perzen, Afrikanen, Zuidoost-Aziaten, sjiïeten en soennieten, die allemaal eigen belangen en agenda’s hebben.

Obama gebruikt nooit de hoogdravende woorden van Bush’ vrijheidsagenda. Hij praat liever over de verbetering van de economische vooruitzichten van mensen, het maatschappelijke middenveld en – zijn sleutelwoord – ‘waardigheid’. Hij verwerpt de obsessie van Bush met verkiezingen en politieke rechten. Volgens hem zijn de aspiraties van mensen breder – ook voedsel, huisvesting en werk. „Zodra die aspiraties worden vervuld”, zei hij tegen The New York Times, „opent dit ruimte voor het soort democratische regimes dat wij willen.”

Even belangrijk is wat Obama níét zegt. Zo vermijdt hij opgelegde goedkope uithalen naar Bush. Hij zou hem kunnen verwijten dat hij de Chinese dictatuur naar de mond praat, hem kunnen aansporen de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Peking te boycotten, of kritiek kunnen hebben op zijn laksheid in Darfur. Maar bij deze thema’s is Obama omzichtig, zonder grote woorden of overdreven beloften.

Veelzeggend is zijn opvatting van de Amerikaanse nationale belangen als het gaat om Irak. Ondanks de vooruitgang daar, is Obama’s standpunt onwrikbaar – Irak is bijzaak, en hoe eerder Amerika zijn kwetsbaarheid daar kan verminderen, hoe beter. Ik zou willen dat hij iets sympathieker stond tegenover het idee dat een democratisch Irak een positieve rol in de strijd tegen islamitisch extremisme zou spelen. Maar zijn opvatting richt zich op de wezenlijke belangen van de Amerikaanse veiligheid en is herkenbaar realistisch.

Paradoxaal genoeg lijken de Republikeinen nu de idealisten in de buitenlandse politiek, door landen als goed of kwaad te bestempelen, geen zaken met foute regimes te willen doen, vast te houden aan de verspreiding van democratie over de hele wereld, en te weigeren in historische en complexe termen te denken. „Ik doe niet aan nuance”, zei George W. Bush vaak tegen bezoekers van het Witte Huis in de jaren na 11 september 2001. John McCain was het niet altijd met Bush eens, maar wel over deze algemene beleidslijn. Hij kwam dan ook met fantasierijke plannen: Amerika zou een ‘Bond van Democratieën’ moeten oprichten, Rusland uit de G8 moeten zetten en ook China van beide groepen moeten uitsluiten.

Obama’s antwoord op deze suggesties zou kunnen zijn geschreven door realisten als Henry Kissinger. We moeten met beide landen samenwerken om grote mondiale problemen op te lossen, vertelde hij me. Zo wil hij met Rusland praten over de verspreiding van kernwapens en met China over economische problemen.

Het verschil met McCain op dit punt is belangrijk. De grootste strategische uitdaging voor de VS in de komende decennia is de opkomende wereldmachten belanghebbende te maken bij de economische en politieke wereldorde. Rusland en China zullen de meeste problemen geven, omdat ze zo groot zijn en de wereld ideologisch anders benaderen. Maar zonder enige vorm van samenwerken tussen de grote mogendheden wordt het vooruitzicht op vrede en stabiliteit in de wereld een stuk slechter.

Zowel Obama als McCain mengen vanzelfsprekend realisme en idealisme, zoals Amerikaanse politici steeds hebben gedaan – en terecht. Een onpraktisch buitenlands beleid zal mislukken, en een beleid zonder idealen is de VS onwaardig. Iedereen kiest daarin zijn eigen balans, en Obama lijkt – ongebruikelijk voor een hedendaagse Democraat – veel respect te hebben voor de realistische traditie. McCain, ongebruikelijk voor een Republikein, kijkt in moralistische termen naar de wereld.

Uiteindelijk kan vooral het verschil in temperament de doorslag geven. McCain is een pessimist en beschouwt de wereld als een gevaarlijke plaats waar het kwaad zal zegevieren als de Amerikanen niet voortdurend hun kracht laten gelden. In de ogen van Obama gaat de wereld juist in veel opzichten de kant van de VS op. Landen als Iran en Noord-Korea ziet hij als de laatste die het tij van de geschiedenis weerstaan. Het is de taak van Amerika de vooruitgang te stimuleren, vooral met soft power. Noem hem een optimistische realist, of een realistische optimist. Maar noem hem niet naïef.

Fareed Zakaria is columnist van het weekblad Newsweek, gespecialiseerd in internationale betrekkingen en auteur van het recent verschenen boek ‘The Post-American World’. © Newsweek