Met afhangende schouders loop ik naar buiten

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: naar Slagharen, met herinneringen uit 1973.

Mijn moeder heeft een doos met foto’s en in die doos zit een serie zwart-witfoto’s waarop ik een baby ben. Ik ben een mollige, lelijke baby, en ik heb een gebreid worstenvelletje aan. Op een van de foto’s zit ik bij m’n oma op schoot, op een andere foto bij m’n moeder. In dezelfde serie: mijn zuster in een opblaasbadje, en: onze pony. Nou ja: de pony die we bij het huisje in Slagharen kregen.

Ik ga met de trein naar Hoogeveen en op de bushalte staat een gezin. We zijn de enige passagiers voor Slagharen. De kinderen zijn enthousiast. Ik zie op tegen het moment dat ik een kaartje moet kopen. Eén volwassene. Ja, ik ben alleen.

De bus rijdt door Hoogeveen met het gezin en mij en we moeten stoppen voor klaar-overs. De klaar-overs zijn twee jonge politieagentes.

De bus rijdt langs boerderijen en sommige haltes hebben de naam van het adres waar-ie voor stopt, andere haltes heten wijkje met iets ervoor. De kinderen juichen als we bij Slagharen zijn.

De jongen bij de poort vertelt me dat er nog steeds huisjes zijn, ja. En pony’s? Nee, geen pony’s meer. Dit is het attractiepark nu, PonyparkCity zit vijf kilometer verderop.

Echt geen pony’s meer?

Nee. Sorry. Er rijdt een treintje naar het andere park, zegt hij.

In het park komt net de monorail langs. Er staan nieuwerwetse attracties, maar ik ben blij dat de monorail er nog is. De monorail was de toekomst, in de jaren zeventig. Ik weet niets meer van de week dat we in het huisje zaten, maar ik ben nog een keer op schoolreisje naar Slagharen geweest. Moderne schoolreisjes zijn met een heleboel leerkrachten en hulpkrachten die allemaal de zorg over een klein groepje hebben, geloof ik, maar in de jaren zeventig werd je het park in geflikkerd en kon je je vermaken. Dus drie keer achter elkaar de monorail. Ik was fan van de toekomst, vroeger.

Ik loop een beetje door het park en probeer me een houding te geven. Ik ben met mijn vriendin, maar ze is even ergens anders nu.

Alles is in westernstijl, maar ik mis paarden. Of pony’s. In het Wilde Westen zullen niet veel pony’s hebben rondgelopen, maar ik ben in Slagharen en ik wil pony’s zien. Pony’s!

Eerst naar de wc. Op weg naar de wc kom ik langs een wand met lachspiegels en ik kijk er niet in. Er loopt een jongetje de andere kant op en hij kijkt wel – bij elke spiegel zegt hij ha-ha, verveeld.

In het eerste hokje dat ik openduw ligt een kinderdrol met heel veel wc-papier in de pot. In het derde hokje doe ik mijn ding en ik trek wel door. Zo doe je dat. Ik was mijn handen en ik sta net in de baan van de automatische luchtverfrisser – die dingen worden altijd op twee meter hoogte gehangen en de wolk die ze uitspugen raakt altijd mijn ogen.

Verder.

Bij de wildwaterbaan staat een man te filmen. Hij filmt heel lang en hij volgt niemand specifiek met zijn camera. Thuis gaat hij de hele film laten zien.

Er staat een reclamebord bij een eettent. Morgenavond een spetterend optreden van de beroemde clown Teddi Clarinetti.

Ik loop Main Street op, de verbindingsweg tussen het ene deel met attracties en het andere deel. Main Street bestaat uit heel veel winkeltjes met saloondeurtjes waar lullige dingen worden verkocht. Lullige dingen en eten. Overal kun je eten in Slagharen, en overal zijn zitjes voor vermoeide ouders. De kabelbaan is over Main Street gespannen – ik ging op schoolreisje in de kabelbaan met een jongen uit een andere klas en hij durfde op hoofden te spugen. Er loopt een neger. Hij is een jaar of zestien en hij is gekleed als een gangsta. Hij heeft een wit vriendinnetje, een knap meisje met een slechte huid. De neger weet hoe uncool het is om in Slagharen rond te lopen, maar hij is chill.

Bij een fototentoonstelling hangen kleurenfoto’s uit de jaren zeventig, en ze zien eruit zoals mijn jaren zeventig eruit zien in mijn hoofd: veel felle kleuren en veel onschuld.

Op een plattegrond zie ik dat ik vlakbij de hal met pony’s ben – ik heb hier zitten kijken op schoolreisje hoe de meisjes op pony’s reden. Pony’s!

Maar er zijn geen pony’s.

In de hal waar vroeger de meisjes op pony’s reden, staat nu een rail en over de rail schuiven mechanische paarden. In het midden van de hal staat een huifkar en op de bok zitten twee levensgrote poppen. De vrouwpop knikt in het ritme van het stappen van het paard dat niet stapt, de manpop beweegt niet en het is niet duidelijk of hij dat wel had moeten doen. De lucht in de hal is van gespannen blauw zeil en op de mechanische paarden zitten kleine meisjes en hun ouders wachten langs de kant. Ik geloof dat ik even zachtjes wil huilen.

Er zijn echt geen pony’s.

Met afhangende schouders loop ik naar buiten. Naast de mechanische pony’s is een hal voor mechanische auto’s met vier zitplaatsen en op elke zitplaats een stuurwiel en er komt er net een naar buiten, op zijn rail, en er zit een te grote dikke jongen in. Hij draait aan het stuur, maar de auto volgt de rail. Je bent al elf, jongen. Wees een vent. Doe het voor mij.

Main Street. In een winkeltje met lullige dingen koop ik een mok voor mijn vriendin. Haar naam staat erop, in lettertype comic sans, en in het Duits staan alle goeie eigenschappen die mensen met de naam Robin schijnen te hebben. Misschien moet ze ook even zachtjes huilen als ze ’m krijgt, en dan hebben we toch iets gedeeld.

Ik vraag een meisje dat ballonnen verkoopt naar het treintje naar het andere park. Ze herpakt haar bos ballontouwtjes, duwt een Spongebobballon uit haar gezicht en zegt dat het treintje van de parkeerplaats vertrekt. Ik bedank haar en ze kan niets terugzeggen – Spongebob is al terug.

Ik neem een omweg langs de huisjes. Hier heb ik misschien wel gezeten. De huisjes zien er hetzelfde uit als op de foto’s. Ze hebben meisjesnamen, Aalberta, Roosje, en voor de zekerheid nog een nummer erbij. In een van de huisjes staat een vrouw af te wassen.

Bij de parkeerplaats zie ik geen rails. Het treintje is natuurlijk het treintje dat vroeger door het park reed, met dikke rubberbanden – het heeft nooit rails nodig gehad.

Ik wacht er even op, stel mezelf dan voor in dat treintje, en gelukkig komt de bus naar Hoogeveen.