In Israël zit een tragische weeffout

De stem van Israël, Chaim Yavin, maakte opnieuw een omstreden documentaire: nu over Israëlische Arabieren.

Hij heeft een boodschap die zijn land niet graag hoort.

„Ik pijnig mijzelf”, zegt Chaim Yavin. „Ik pak de zweep en ransel mijn rug af.”

Je zou het niet zeggen als je Chaim Yavin (75) in zijn luxe appartement met uitzicht op zee ziet zitten. In zijn korte broek en sportschoenen oogt de bekendste televisiepresentator van Israël als de gepensioneerde die de ellende van zijn land liever vergeet en wil genieten van een zorgeloze oude dag. Maar Yavin blijft een journalist, zegt hij, en wil verhalen vertellen die zijn landgenoten, en hijzelf, liever niet horen.

Veertig jaar lang, van 1968 tot zijn pensionering aan het begin van dit jaar, presenteerde Chaim Yavin het nieuws op de nationale televisie. Yavin is een van de oprichters van de nationale omroep. Het leverde hem de bijnaam Mr. Television op. Maar Yavin is uit de comfortabele positie van de neutrale anchorman gekropen. Hij kocht een kleine handcamera en ging filmen. Twee jaar lang registreerde Yavin het leven van enkele van de ruim en miljoen Israëlische Arabieren: het vernietigen van hun huizen, omdat ze illegaal zouden zijn, het weigeren van bouwvergunningen, het langere wachten bij controleposten, de extra vragen van beveiligingsbeambten op de luchthaven, de discriminatie van de Bedoeïenen in de Negev-woestijn. Op het Filmfestival van Jeruzalem ging vorige week Yavins documentaire ID Blues in première.

De Israëlische Arabieren, circa 20 procent van de bevolking, leven bovendien vaak in grote armoede. Daar komt bij dat veel Israëlische Arabieren zich ontworteld voelen. „We horen nergens bij”, zegt hoogleraar Adel Manaa in de documentaire tegen Yavin. „We moeten bij Israël horen, maar we hebben niet dezelfde rechten als de joden. We mogen ook geen land, cultuur, een eigen identiteit hebben. Wat willen jullie van ons?”

Yavin filmde een familie in Ramle, tien minuten rijden van Tel Aviv. De familieleden wonen in een krot naast het spoor, omdat hun huis is gesloopt. Een nieuw huis mogen ze niet bouwen, want ze krijgen geen vergunning. „Ik vind het schrijnend dat heel veel Israëliërs nauwelijks weten van de problemen van hun Arabische landgenoten. Het bestaat niet voor hen, nieuws over Arabieren zien ze als buitenlands nieuws. Ze vinden het net zo interessant als, pakweg, de situatie in India. Israëliërs zijn er goed in de minder fraaie kanten van hun land te ontwijken.”

Het is de tweede keer dat Chaim Yavin in het een openbaar een positie inneemt. Drie jaar geleden maakte hij een documentaire over de kolonisten van de bezette Westelijke Jordaanoever en Gaza. Het kwam hem op ziedende reacties uit de kolonistenbeweging te staan. Uitgerekend hij, de stem van Israël, die veertig jaar lang het nieuws op neutrale toon had gepresenteerd, liet zijn neutraliteit varen. Een voorman van de kolonistenbeweging drong op zijn ontslag bij de publieke omroep aan. Yavin, lachend. „Die film wordt me tot vandaag kwalijk genomen.”

Dat verwijt zal hij straks, als ID Blues op televisie wordt uitgezonden en naar filmfestivals in het buitenland gaat, opnieuw horen, verwacht hij. „Ik heb de Palestijnen gevraagd: wat heb je te zeggen? ‘We hebben geen baan, geen huis, geen land’, zeiden ze. Ik heb het zonder voorbehoud gefilmd en uitgezonden, maar het is geen boodschap die Israël graag wil horen.”

Het maken van de film was ook een worsteling voor Yavin zelf. Hij noemt zichzelf een overtuigde zionist, die gelooft in Israël. „Ik heb het land zien ontstaan. Het is voor mij het grootste wonder van de twintigste eeuw. Ik ben als eenjarig jongetje uit Duitsland naar toenmalig Palestina gevlucht. Had ik dat niet gedaan, dan had ik niet meer geleefd, net als de familieleden die in Europa achterbleven. Hier heb ik in ongeveer alle oorlogen gevochten, en ik zou het land morgen weer verdedigen als het nodig is. Tegen die context kijk ik naar Israël.”

Maar in de film zegt u ook: de Israëlische Arabieren zijn het slachtoffer van de geschiedenis geworden.

„Dat zijn ze ook. En daar zit de pijn. Juist het feit dat ík deze film maak, maakt de boodschap sterker. Als een Arabier het zou doen, zou iedereen zeggen: natuurlijk, die neemt het voor zijn mensen op. Ik zeg, als zionist, dat de problemen van de Arabische Israëliërs problemen voor iedere Israëliër zijn, die niet met repressie onderdrukken zijn.”

In welk opzicht is uw kijk op Israël veranderd?

„Er zit iets tragisch in Israël, een weeffout die lastig op te lossen is. Israël wil een joodse staat zijn, én een volwaardige democratie. Maar die twee kenmerken verdragen elkaar slecht. Er zit altijd een element van ongelijkheid in voor de inwoners die niet joods zijn. Al sinds de stichting van de staat Israël in 1948 zien we de Palestijnen niet als gelijken. Dat is voor de Arabieren in Israël een bittere constatering, zoiets als het eten van gras: niet te slikken.”

U noemt het ongelijkheid. Arabische Israëliërs in uw film noemen het racisme en vergelijken Israël met het apartheidsbewind van Zuid-Afrika.

Geprikkeld: „Dat vind ik een schandalige vergelijking. Demagogie, een oneliner die op niets is gebaseerd.”

Waarom vindt u dat?

„Omdat de situatie daar anders is dan hier. Hier wordt niet of nauwelijks op basis van huidskleur gediscrimineerd. Hier liggen andere oorzaken aan de ongelijke situatie ten grondslag dan in Zuid-Afrika. Los van wat ik al noemde, kan ik ook een verhaal vertellen over de vijandigheid van de Arabische landen toen Israël gesticht werd, of over alle oorlogen. Veel vooroordelen over Arabieren van vandaag hebben wel degelijk historische wortels.”

Maar hoe verhoudt zich dat met uw opmerking dat de Arabieren in Israël een gediscrimineerde bevolkingsgroep vormen?

„Als het erop aankomt, een goede baan, of een huis, is Israël inderdaad een klassenmaatschappij. Maar ik geloof dat het probleem hier ook opgelost kan worden.” Hij spreidt zijn handen. „Het gat is nu zo groot. Ik wil dat het kleiner en kleiner wordt. Ik zie ook positieve dingen gebeuren in mijn land: joodse en Arabische Israëliërs die samenwerken, elkaar opzoeken. Arabieren die studeren en ondanks alles carrière maken.”

Maar er zal, als ik u goed beluister, in uw ogen altijd een gat blijven.

„Dat vrees ik wel. En daar breek ik mij nu het hoofd over.”

U heeft het over oplossingen, maar in uw film klinkt u pessimistisch. U laat veel mensen aan het woord die waarschuwen voor een nieuwe Intifadah.

„Optimistisch of pessimistisch, dat hangt van je karakter af. U zou het zich kunnen veroorloven pessimistisch te zijn, ik niet. Ik denk dat een oplossing mogelijk is. De Israëlische Arabieren hebben geen moederland, de andere Palestijnen evenmin. Er moet een Palestijnse staat komen, hoe dan ook. Wij moeten de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever verlaten en intensiever met de Palestijnen in gesprek. Ik geloof nog in een tweestatenoplossing, met twee bevolkingsgroepen die elkaar het licht in de ogen gunnen.”