Gemengde klas lost niets op

Laat zwarte en witte kinderen samen naar school gaan en het integratieprobleem lost vanzelf op. Dat is de teneur van het pleidooi van SP-Kamerlid Sadet Karabulut, waarin zij stelt dat de overheid ervoor moet zorgen dat kinderen zoveel mogelijk op gemengde scholen komen (nrc.next, 21 juli). Want het probleem is niet „meer of minder islam”, zegt Karabulut, maar de „toenemende segregatie”.

De gemengde school als wondermiddel om de apartheid te doorbreken. We horen het al jaren en het is natuurlijk een geweldig streven. Maar werkt het ook?

Behalve dat sociologen in geschriften twisten over de effectiviteit van gemengde scholen, is ook de praktijk weerbarstiger dan Karabulut zich die voorstelt. Toen ikzelf in de jaren 80 als wit kind op een zwarte basisschool zat, heb ik een hele fijne tijd gehad. Maar er was voor „gezamenlijk elkaars cultuur verkennen”, zoals Karabulut dat noemt, nauwelijks tijd. Op zwarte scholen wordt het cultuuronderwijs namelijk volledig ondergesneeuwd door het taalonderwijs. Om de achterstand van de leerlingen in te halen is het taal, taal, taal waar de zwarte scholen op hameren. Voor iets anders is nauwelijks lesruimte.

Die taalachterstand hebben de kinderen overigens niet omdat ze Marokkaan of Turk zijn, of omdat ze thuis geen Nederlands praten. Nee, die taalachterstand hebben ze omdat hun ouders vanwege hun lage sociaal-economische positie zélf weinig geschoold zijn en daarom hun eigen moedertaal al slecht beheersen. Hun kinderen spreken vaak beter Nederlands dan Turks of Arabisch, maar als een kind vanwege de taalarme thuissituatie een woord in het Arabisch niet kent, wordt het moeilijker dat woord wél in het Nederlands te leren. Daarmee is hun situatie niet wezenlijk verschillend van die van Nederlandse kinderen met ouders die laag zijn opgeleid.

En daarmee raak je aan de werkelijke segregatie: die is niet etnisch, maar sociaal-economisch bepaald. Niet zwart versus wit, maar (kans)arm versus (kans)rijk. Die segregatie los je niet op, zoals Karabulut beweert, door samen over elkaars culturen te leren. Sterker nog, je kunt op die manier de kloof zelfs vergroten.

Op mijn eigen, grotendeels zwarte basisschool was van zo’n kloof in de eerste klassen nog geen sprake; iedereen speelde vrolijk samen.

Maar toen het taalonderwijs eenmaal begon, werd de kloof snel groter. Er moest op een zeker moment zelfs gedwongen worden gesegregeerd. Omdat het basisniveau in de klas zo laag was, werden de kansrijke kinderen uit het klaslokaal gehaald en kregen ze les in een apart havo/vwo-klasje.

Die segregatie zette zich vanzelfsprekend buiten de les voort. Ik zag het in de praktijk: de kansarmen kregen het idee dat de kansrijken (de ‘wittere’) overal werden voorgetrokken – niet alleen in de les, maar ook bij het trefbal en het eindtoneelstuk. Of dat klopte is niet relevant, ze ervoeren het zo. En omdat ook de kansrijken zich daardoor ongemakkelijk voelden, brachten zij op het schoolplein steeds meer tijd alleen met elkaar door. De segregatie was een feit.

Karabulut stelt dat kinderen van Turkse en Marokkaanse migranten zich bij het zoeken naar stages niet achtergesteld voelen wegens hun religieuze denkbeelden, maar omdat zij „de discriminatie ervaren die in elke samenleving bestaat waarin mensen van verschillende komaf wonen”. De beperkte rol van de islam bij het integratieprobleem kan ik inderdaad onderschrijven: het woord ‘moslim’ of ‘islam’ heb ik in mijn basisschoolperiode niet één keer horen vallen. Het woord ‘discriminatie’ vaker. En je kunt je afvragen of een gemengde school de Turkse en Marokkaanse kinderen niet nóg meer met hun neus op die feiten drukt.

Freek Schravesande is redacteur van nrc.next en studeerde communicatie en criminologie.

Discussieer mee over dit artikel op nrc.nl/discussie