Vrijheid en veiligheid niet te verzoenen

In de aanloop naar de Olympische Spelen begint de Chinese obsessie met veiligheid bijna ziekelijke vormen aan te nemen, vindt Garrie van Pinxteren.

De Chinese overheid is in de aanloop naar de Spelen steeds meer geobsedeerd geraakt door veiligheid. Die obsessie is zo sterk dat de oorspronkelijke reden waarom Peking de Spelen wilde hebben steeds meer uit het oog verdwijnt. Niet langer gaat het de Chinese overheid er vooral om China in zijn nieuw verworven pracht en kracht aan de wereld te tonen. Het belangrijkste is nu vooral ervoor te zorgen dat China, de bezoekers en deelnemers aan de Spelen het er zonder kleerscheuren van afbrengen.

Hoe kan het dat de angst voor aanslagen en demonstraties zo de overhand heeft gekregen over de feestelijkheid rond de presentatie van China als trotse nieuwe wereldmacht? Deels is de steeds sterkere Chinese obsessie met veilige Spelen begrijpelijk. Voor China is de organisatie van een groot evenement als de Spelen nieuw. De Chinese leiders hebben zich waarschijnlijk onvoldoende gerealiseerd wat er allemaal voor risico’s aan het sportevenement kleven. Zo had niemand aan de Chinese top kunnen voorspellen dat de Tibetanen in staat zouden zijn om de Spelen aan te grijpen voor zo’n grote en internationaal invloedrijke opstand tegen het Chinese gezag als die van maart dit jaar. Jacques Rogge, voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité, heeft gelijk als hij opmerkt dat die protesten veel prominenter in het nieuws zijn gekomen dan was gebeurd als China dit jaar níet de Spelen had georganiseerd. China is van de reactie op Tibet zeker geschrokken. Misschien hebben de Chinese leiders wel te gretig ‘ja’ gezegd tegen de Spelen, zonder goed te weten waaraan ze precies begonnen. En misschien hebben ze daar inmiddels wel spijt van.

Dat is eerder gebeurd. Toen China na de opstanden op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 behoefte had aan een internationaal evenement om het imago van het land op te krikken, bood het aan om de VN-Wereldvrouwenconferentie van 1995 te organiseren. Niet lang voordat het evenement zou plaatsvinden, werd China bang.

Bang voor ordeproblemen rond de gasten die het niet-officiële deel van de conferentie zouden bezoeken. Wat zouden pro-Tibetaanse vrouwengroepen bijvoorbeeld precies in Peking gaan verkondigen? En wat moest China met vrouwengroepen uit Taiwan? Maar er waren ook merkwaardige angsten bij. Zoals de angst dat vrouwen naakt door de straten van Peking zouden gaan rennen. Chinese agenten zouden de lakens al klaar hebben liggen om over die vrouwen heen te gooien, mocht het echt zover komen. Kort voordat de conferentie zou plaatsvinden, werd het hele niet-officiële programma verplaatst naar een locatie ver buiten Peking. Daar zouden die ‘wilde’ vrouwen minder schade kunnen aanrichten.

Een dergelijke overtrokken reactie wordt veroorzaakt doordat de overheid onvoldoende kan inschatten wat wél en niet écht gevaarlijk is en waar potentiële dreigingen vandaan komen. Dat was toen zo, en dat is nog steeds zo. De overheid gaat er daarom in de aanloop naar de Olympische Spelen van de weeromstuit steeds meer toe over om alles wat ook maar mogelijk tot een verstoring van de Spelen zou kunnen leiden hard de kop in te drukken of te verbieden.

Vooral sinds de opstanden in Tibet heeft China’s obsessie met veiligheid traumatische vormen aangenomen. Veiligheid is nu de inzet geworden van wat je een soort binnenlandse oorlog tegen het Kwaad kunt noemen. Het lijfblad van China’s Gewapende Volkspolitie schreef in april: „Het geroffel van de oorlogstrommen klinkt, een beslissende strijd staat voor de deur. In het belang van het aanzien van de Chinese natie en met het oog op de eer van de Gewapende Volkspolitie: verzuim uw plicht nimmer!” De Gewapende Volkspolitie speelde een cruciale rol bij de onderdrukking van de opstanden in Tibet en heeft nu weer een belangrijke rol bij de beveiliging van de Spelen.

De leuze van deze Spelen is ‘Eén wereld, één droom’. Maar het wordt steeds duidelijker dat de droom van de Chinese overheid er heel anders uitziet dan de droom die vooral het Westen had toen de Spelen in 2001 aan China werden toegekend. Toen was er de hoop dat de Spelen tot interne hervormingen zouden leiden. China zou er opener en vrijer door worden. Dissidente geluiden zouden vanzelf meer ruimte krijgen, alleen al doordat China zich internationaal meer geaccepteerd zou voelen. Chinese leiders zouden onder de ‘heilzame’ internationale invloed anders gaan denken en handelen. In onze droom zouden de Spelen zelfs de aanzet tot een werkelijk democratisch systeem in China kunnen vormen. Dat was immers ook het effect geweest van de Olympische Spelen in Zuid-Korea in 1988?

Onze droom komt niet uit. China wil de wereld met de Spelen laten zien dat juist de eigen, Chinese principes het land hebben opgestuwd tot de aanzienlijke hoogte die het inmiddels heeft bereikt. Daarbij zijn niet vrijheid en openheid, maar harmonie en orde de belangrijkste grondbeginselen. Om die orde tijdens de Spelen te waarborgen, is meer dan ooit controle nodig. De Spelen trekken namelijk als een magneet allerlei ‘vijandige’ groepen uit binnen- en buitenland aan.

Maar wie zijn die vijanden nu precies? Chinese leiders kennen hun eigen volk slecht. De opstand in Tibet kwam totaal onverwachts. China had juist gedacht dat de Tibetanen inmiddels wel blij waren met alle nieuwe welvaart die de Chinese regering er mogelijk had gemaakt. Waarom heeft China zich daarin zo vergist? Er zijn geen reguliere kanalen om de onvrede onder de bevolking onder de aandacht van de overheid te brengen. De media zijn meer gericht op het verwerven van steun onder de bevolking voor de overheid dan op het peilen en verwoorden van wat onder het volk aan onvrede leeft. Als een plaatselijke ambtenaar de onvrede wél kent, kijkt hij wel uit om er met zijn superieuren over te praten. Straks krijgt hij zelf nog de schuld.

En wie zijn de buitenlandse groepen waarvan gevaar te duchten valt? Dat is voor China, dat nog nooit een dergelijk mega-evenement heeft georganiseerd, helemaal moeilijk in te schatten. Dat maakt alle buitenlanders in principe verdacht. Buitenlandse bezoekers die in een dronken bui ‘Leve Tibet’ roepen, kunnen het wel vergeten dat China’s agenten dat als een geintje zullen opvatten. Ze komen terecht in een stad waar om de tien meter een vrijwilliger de veiligheid in de gaten houdt, waar afwijkend gedrag, van welke soort dan ook, meteen als een potentiële dreiging wordt gezien.

Daar komt bij dat politieke dissidentie als bijna net zo bedreigend en verwerpelijk wordt beschouwd als een gewelddadige aanslag. Die houding heeft tot effect dat het dragen van een T-shirt met een pro-Tibetaanse leuze tijdens de openingsceremonie bijna net zo ernstig wordt opgevat als een aanslag op de Amerikaanse president, en met in wezen dezelfde middelen zal worden bestreden. En daarmee wordt de sfeer veel meer gespannen dan strikt noodzakelijk is.

Als China zoekt naar methoden om de veiligheid te waarborgen, dan kijkt het vooral naar zijn eigen verleden. Het land heeft in het verleden nogal eens de neiging gehad om met een kanon op een mug te schieten. China heeft er grote moeite mee om op een subtielere, modernere manier de orde voor de Spelen te waarborgen. Het land grijpt terug op methodes die vrijwel altijd gebaseerd zijn op de harde hand, op onderdrukking en op een zo absoluut mogelijke controle.

En dat vinden wij niet leuk, want dat voelt niet prettig en ontspannen. Als wij naar de Spelen komen, dan verwachten we een uitbundig feest, geen militaire veiligheidsoperatie. We willen uitgaan, lekker buiten op een terrasje zitten en we willen vooral het gevoel hebben in een bruisende, creatieve en vrije stad te zijn. Natuurlijk, de prachtige gebouwen die Peking voor de Spelen heeft neergezet, al het groen en de fonteinen, de moderniteit, de grandeur en de enorme uitgestrektheid van de Chinese hoofdstad zullen zeker indruk maken. Maar of dat ons ervan zal overtuigen dat China een sympathieke nieuwe wereldmacht is? Een land waarvoor we niet bang hoeven te zijn? China zou dat heel graag zien, maar toch ook weer niet zo graag dat het daarvoor veiligheidsrisico’s wil lopen. Voor de veiligheid ziet China het als onvermijdelijk om alles wat naar losheid en vrijheid riekt in elk geval tijdelijk weer in de ijskast te zetten. En wee degene, Chinees of buitenlands, die juist in deze gespannen en gevoelige tijd tijd meent zo nodig de mensenrechten of ander ongerief te moeten aankaarten.

Garrie van Pinxteren is voormalig correspondent voor NRC Handelsblad in China en werkt daar nu voor de NOS. Auteur van ‘China, centrum van de Wereld’.