Verjaringsargument oorlogskunst gaat niet op

W. Veraart vergist zich waar hij betoogt dat de nazi`s het recht inruilden voor een soort supermoraal (Opiniepagina, 18 juli). De wet bleef gezag houden, maar werd uitgelegd `im Geiste des Führers`: een kenmerk van alle dictaturen. Voorbeeld: een werknemer heeft recht op vrije dagen ter herdenking van de opkomst van het nationaal-socialisme maar dit gold niet voor joden want zij hadden niets te vieren.

Veraart miskent de beslissing van de restitutiecommissie in de Goudstikker-zaak waar hij deze terugvoert op een moraal die boven het recht prevaleert. De Restitutiecommissie (RC) oordeelde dat een notariële akte van 2 augustus 1952 geen afstand van de collectie inhield. De commissie had wel een ander argument kunnen opvoeren. Desi Goudstikker liet de notaris een considerans opnemen die aan de akte voorafging - in die tijd hoogst uitzonderlijk. Zij betoogt dat zij het onderhandelen met het Nederlands beheersinstituut moe is en dat tegen de staat die alle mogelijke tegenwerpingen had, niet op te boksen viel. De vraag kan gesteld worden of dit niet wijst in de richting van misbruik van omstandigheden, een wilsgebrek dat ook naar het recht van toen de akte van dading nietig kan maken. Wie dit aanvaardt, ziet dat de RC een andere redenering had kunnen opzetten.

Het betoog van Veraart verdient vanuit ander opzicht tegenspraak. Als de staat recupereert, dan treedt hij op als een soort zaakwaarnemer krachtens publiekrecht. De staat is dus niet eigenaar maar slechts houder. Tijdverloop maakt de staat - anders dan steeds betoogd wordt - in beginsel niet tot eigenaar. Anders gezegd: het verjaringsargument gaat niet op, ook al zouden staat en musea graag anders willen.