Column

Uit mijn duim (2)

Vroeger had je echte liftersplekken waar ze massaal stonden. In Amsterdam was dat aan het eind van de Rijnstraat bij de Utrechtsebrug waar de A2 begon en bij de Gooiseweg, eigenlijk de oprit van de A1. Zo had elke stad zijn eigen plekken. In Groningen de Emmabrug, in Utrecht de Berenkuil en de Douwe Egbertsfabriek en waar ze in Rotterdam stonden, weet ik eerlijk gezegd niet.
Veel lifters hadden een kartonnen bordje. Daarop stond de plaats van bestemming. Vaak verre steden. Maastricht, Leeuwarden, Groningen. Ik bekeek dat als jongetje met diep respect. Dat waren pas globetrotters. Avonturiers.  Maastricht. Leeuwarden. Groningen. Dan durfde je.

Waarom zijn de lifters er eigenlijk niet meer? Er is toch altijd geldnood? Zo vorstelijk worden die klussende Polen toch ook weer niet betaald? Waar zijn ze? Of steken ze hun duim tegenwoordig omhoog op internet? Is er een lifterssite waarop je je reis van A naar B of C regelt? Hoe zit het? Wie kan mij vertellen waar ze gebleven zijn?
Ik mis ze. Ik mocht ze altijd graag meenemen.  Niet alleen om de aanspraak, maar ik heb het zelf te lang en te hartstochtelijk gedaan. Dus ik weet wat het betekent als je lang moet wachten in striemende regen of brandende zon.

Zeventien was ik en ik moest en zou naar Kopenhagen. Daar gebeurde het. Met wie ik ging? Met mezelf. Dat leek me nou leuk: alleen reizen. Zonder vrienden. Lange discussies met mijn bezorgde ouders volgden. Steeds weer het woordje waarom. Andere jongens gingen met elkaar naar Spanje of Frankrijk of zeilkamp, maar ik wilde dat niet. Ik wilde alleen en absoluut naar Kopenhagen. 1971 en iedereen zei dat het daar gebeurde. Uiteindelijk moest ik het zelf maar weten. Ze konden me tegenhouden, maar dat wilden ze niet.

Nog altijd vind ik het jammer dat ik de brief, die mijn vader me geschreven heeft en die bij mijn nachtelijk vertrek op de eettafel op me lag te wachten, ben kwijtgeraakt. Een ontroerende brief van een oprecht bezorgde vader aan een onbezonnen joch van zeventien. Toen begreep ik niks van hem, maar nu, 37 jaar later en zelf in het bezit van zo’n zoon, snap ik hem beter dan ooit. Heb hem dat gelukkig nog wel kunnen vertellen.

’s Ochtends om vier uur verliet ik het huis en natuurlijk lagen mijn ouders klaar wakker. Even later hees ik me bij een onverstaanbare chauffeur in de eerste vrachtwagen. Op naar het noorden. Nog weet ik welke gelukkige huiver er door me heen trok. Het rare gevoel. Mijn met vakantiewerk bij elkaar gesprokkelde centen, een paar boeken, wat kleren en een overvol avonturenhoofd. Het leven ging beginnen.

In Hamburg werd het een schimmig hotel in Sankt Pauli, dertig kilometer voor Flensburg sliep ik in de berm onder aan een viaduct, maar ik kan beter toegeven dat ik niet sliep, omdat ik doods- en doodsbang was. Eigenlijk wilde ik terug. Wat deed ik daar? Van wie moest dit? Wie moest ik iets bewijzen?

Al mijn vrienden hadden het vrolijk met elkaar. Rumoerige campings, rare huisjes, vrolijke hotels en vooral met elkaar. Toen het licht werd kwam ik tevoorschijn uit de bosjes en bond mijn slaapzak en matrasje bij elkaar. Ik was nog niet gaan staan of er stopte een auto. Een grote Mercedes met een oude man er in. Waar ik heen wilde? Denemarken! Stap maar in.

Dat was wel een hele snelle lift. Ik zat bij een grote, oude, zwaar ademende man, die me vertelde dat hij me niet mee de grens overnam. Dat stukje moest ik lopen. Ik kon wel drugs bij me hebben. Ik zei dat ik dat niet had. Of wapens!  Die had ik zeker niet.
„Maar ik wel”, zei de man en trok uit zijn binnenzak een groot, stevig pistool dat hij onmiddellijk op me richtte.

„Dus geen gekke dingen doen!”, sprak hij met een woeste blik in zijn ogen
„Nee”, stotterde ik en bibberde van binnen en van buiten heel zacht om mijn moeder.

(Wordt vervolgd.)

Youp van ’t Hek