Traditionele economie is slecht kompas

Het economisch gedrag van mensen laat zich niet sturen door de wetten van de neoklassieke economie. Een meerdimensionale benadering is nodig, meent Henk Folmer.

Bedrijven en de overheid baseren hun beleid vaak op wetenschappelijke inzichten. De beslissing over een nieuw product wordt meestal voorafgegaan door uitgebreid marktonderzoek, terwijl sociaal-economisch beleid van de overheid in hoge mate steunt op micro- en macro-economisch onderzoek. Maar economisch onderzoek staat niet altijd garant voor een juiste koersbepaling.

Dat komt in belangrijke mate omdat er verschillende stromingen naast elkaar bestaan, oftewel ‘economische wetenschappen’, die gebaseerd zijn op verschillende veronderstellingen ten aanzien van het menselijke gedrag. Deze wetenschappen produceren elkaar tegensprekende verklaringen en voorspellingen.

De belangrijkste stroming is de neoklassieke economie, die uitgaat van rationeel handelende individuen, dat wil zeggen individuen die volledig geïnformeerd zijn en streven naar maximaal welzijn. Ook bedrijven worden verondersteld rationeel te zijn en te streven naar een zo groot mogelijke winst.

Volgens de neoklassieke economie is marktwerking het middel om een zo hoog mogelijk welzijn te realiseren. Daarbij is wel een rol weggelegd voor de overheid. Deze moet zorgen voor optimale omstandigheden waaronder de markt zijn werk kan doen, zoals de bescherming van eigendomsrechten, beperking van externe effecten, zoals milieuschade, en het vaststellen van een rechtvaardig geachte inkomensverdeling.

Gewapend met dit instrumentarium berekent de neoklassieke econoom wiskundig wat de mens in verschillende keuzesituaties doet en past de aldus verkregen theorie toe op actuele beleidsvraagstukken. De invloed van de neoklassieke economie valt in diverse beleidsvoorstellen te herkennen.

Een paar recente voorbeelden.

De levensloopregeling werd ingevoerd in de veronderstelling dat werknemers massaal zouden toestromen omdat deze tot groter welzijn zou leiden dan de spaarloonregeling. Immers, bij de spaarloonregeling kan de werknemer jaarlijks maximaal slechts 613 euro belastingvrij sparen. De levensloopregeling is veel royaler doordat de werknemer jaarlijks 12 procent van het brutoloon opzij kan zetten. Pas wanneer het spaarpotje wordt aangesproken, wordt er belasting geheven. Dit kan belangrijk fiscaal voordeel opleveren.

Ook in de versoepeling van het ontslagrecht zijn duidelijke sporen van de neoklassieke economie te herkennen: men wil de werking van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt verbeteren.

Bij de verdediging van topinkomens tenslotte, wordt een beroep gedaan op marktwerking op wereldschaal. Van een land dat inkomensbeperkingen invoert wordt verondersteld dat het genoegen moet nemen met tweederangs bestuurders en met het risico dat bedrijven hun hoofdkantoren naar vriendelijker oorden verplaatsen.

Veel neoklassieke verklaringen en voorspellingen slaan de plank mis. De levensloopregeling blijft impopulair. Uit cijfers van het CBS blijkt dat in 2006 slechts 269 duizend werknemers een levensloopregeling heeft tegenover 2,3 miljoen deelnemers aan de spaarloonregeling. De inleg is ten opzichte van 2005 zelfs gedaald met 70 miljoen.

Versoepeling van het ontslagrecht stuitte op weerstand bij werknemers en grote delen van de politiek, ondanks de beloftes van een soepeler draaiende economie en een grotere welvaart. En wat de verdediging van topinkomens betreft zijn de neoklassieke argumenten met hoon bejegend en van alle kanten scherp bekritiseerd.

Een belangrijke reden voor het falen van de genoemde beleidsvoorstellen is dat de neoklassieke economie uitgaat van een onrealistisch mensbeeld. Ze negeert wezenlijke aspecten van het menselijke gedrag.

Al in het midden van de vorige eeuw werd de veronderstelling van een rationeel handelend individu bekritiseerd. Diverse Nobelprijswinnaars economie hebben er op gewezen dat individuen slechts over beperkte informatie beschikken en niet naar maximaal welzijn streven, maar zich tevreden stellen met een lager niveau. Verder werden mensen erkend als sociale wezens, die zich niet alleen bekommeren om hun eigen welzijn maar ook om dat van anderen. Bovendien drong het besef door dat gedrag niet alleen door het streven naar een zo hoog mogelijk welzijn wordt bepaald, maar ook door normen en waarden evenals door psychologische factoren, zoals percepties, verwachtingen en gewoonten.

Naar aanleiding van deze kritieken hebben zich alternatieve stromingen ontwikkeld. De belangrijkste zijn de institutionele economie, die zich toelegt op de bestudering van normen en waarden als determinanten van economisch gedrag, en de gedragseconomie, die zich richt op de psychologische aspecten van economisch handelen.

Deze alternatieve economische wetenschappen bieden een verklaring voor de tekortkomingen van de neoklassieke beleidsvoorstellen. Dat werknemers niet massaal naar de levensloopregeling overlopen, wordt door de gedragseconomie verklaard uit het feit dat individuen slechts over beperkte informatie beschikken, waardoor zij niet goed in staat zijn alternatieven te vergelijken. Uit de gedragseconomie is bovendien bekend dat individuen huiverig zijn een bestaande regeling of verzekering in te ruilen voor een alternatief, ook wanneer bekend is dat dat superieur is.

De afkeer van de versoepeling van het ontslagrecht houdt verband met het feit dat werknemers niet alleen geïnteresseerd zijn in materieel welzijn, maar evenzeer in zaken als rust en inkomens- en baanzekerheid. Bovendien bekommeren zij zich niet alleen om eigen welzijn, maar ook om dat van mogelijke slachtoffers van de versoepeling.

Topinkomens tenslotte botsen met de heersende Nederlandse normen en waarden, zoals de institutionele economie leert.

Op grond van het bovenstaande dringt zich de conclusie op dat de neoklassieke economie een slecht kompas is voor beleidsonderbouwing. Voor een goed begrip en adequate verklaring van economisch gedrag en beleidsondersteuning zijn naast de neoklassieke ook de alternatieve economische wetenschappen noodzakelijk.

Maar ook de gedragseconomie en institutionele economie schieten tekort in hun verklaringen van het economische gedrag, doordat ieder slechts een deelaspect in ogenschouw neemt en voorbij gaat aan wat de alternatieve stromingen te zeggen hebben.

Voor een adequate verklaring van economisch (en ander) handelen is het noodzakelijk alle relevante gedragsaspecten in samenhang te beschouwen en hun relatieve gewicht vast te stellen. Daartoe zullen uiteindelijk de verschillende economische wetenschappen tot één geïntegreerd geheel gesmeed moeten worden. Bovendien is empirische toetsing noodzakelijk.

Anders blijft de economische wetenschap een ‘voor-elk-wat-wils’ grabbelton waarbij beleidsmakers en politici zich vrij voelen te gebruiken wat van hun gading is, met verwarring, verdeeldheid en verharding van standpunten tot gevolg.

Henk Folmer is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen en Wageningen Universiteit.