Publieke ‘sprinkhanen’ doen hun burgers tekort

Opkopers van bedrijven en activistische beleggingsfondsen zijn door spraakmakende politici als ‘sprinkhanen’ gebrandmerkt. De strategie van dit type aandeelhouders is helder. Door bedrijven waarin zij deelnemen te reorganiseren en in brokstukken weer te verkopen, weten zij grote winsten te behalen. Vaak zuigen aandeelhouders eerst een groot deel van het eigen vermogen uit de opgekochte onderneming en financieren zij haar vervolgens met geleend geld. De hoge rentelasten die hiervan het gevolg zijn belasten de toekomstige bedrijfsvoering.

Zulke praktijken worden doorgaans geassocieerd met het Angelsaksische kapitalisme, maar provincies en gemeenten in Nederland kunnen er ook wat van. Vanouds bezitten sommige decentrale overheden aandelen van nutsbedrijven die gas, water en elektriciteit leveren.

In de afgelopen jaren zijn de verantwoordelijke wethouders en gedeputeerden begonnen om dit aandelenbezit te verpatsen. De centrale overheid heeft echter verordonneerd dat de leidingnetten in overheidshanden moeten blijven. Wel kunnen gemeentelijke en provinciale aandeelhouders hun netwerkbedrijven uitmelken door ze te dwingen de energienetten (met een geschatte waarde van 30 miljard euro) voor een veel groter deel met geleend geld te gaan financieren. Herfinanciering is toegestaan, zolang ten minste 30 procent eigen vermogen resteert. De andere 70 procent kan vervolgens in de vorm van superdividend aan de aandeelhouders worden uitgekeerd. Deze sprinkhaanstrategie kan decentrale overheden in de komende jaren vele miljarden euro’s aan superdividenden opleveren.

Doen gemeenten en provincies er verstandig aan de netwerkbedrijven grotendeels leeg te eten? Door de financiering met geleend geld beschikken die straks over veel minder buffers om tegenvallers op te vangen. Dit maakt netwerkbedrijven kwetsbaar en brengt ze in de verleiding om te beknibbelen op nieuwe investeringen in het leidingnet. Dit kan op de lange duur zelfs de leveringszekerheid van gas en elektriciteit in gevaar brengen. Bovendien zullen de netwerkbedrijven uiteraard proberen hun stijgende rentelasten door te berekenen aan de energieverbruikers. Slagen zij daarin, dan lijkt dit op een vorm van verkapte belastingheffing door de aandeelhoudende gemeenten en provincies.

Wanneer decentrale overheden de opbrengst van verkochte aandelen op de bank zetten of rendabel investeren, verandert hun vermogenspositie niet. Vergelijk het met iemand die zijn huis verkoopt en de opbrengst voorlopig op zijn bankrekening zet. Die is van de transactie evenmin armer of rijker geworden. Uitgekeerde superdividenden in combinatie met extra leningen maken de aandelen in netwerkbedrijven minder waard. Ook nu verandert het vermogen van gemeente of provincie niet, mits het dividend wordt opgepot of rendabel wordt geïnvesteerd. Vaak zijn lokale en provinciale bestuurders er echter op gebrand de extra inkomsten te besteden. Het gaat nogal eens om prestigeprojecten, waar in de toekomst alleen maar geld bij moet. Wanneer de opbrengst van afgestoten aandelenpakketten en ontvangen superdividenden niet worden belegd of rendabel geïnvesteerd, verslechtert de vermogenspositie van de gemeente of provincie zienderogen.

Nu kunnen de decentrale overheden wel een stootje velen. Hun nettovermogen bedroeg enkele jaren geleden bijna 40 miljard euro. Veel bezit staat tegen een te lage waarde op de balans. Die ‘stille reserves’ belopen ten minste 13 miljard euro, zodat het werkelijke vermogen van gemeenten en provincies meer dan 50 miljard euro bedraagt. In 2006 is het vermogen van de gemeenten verder toegenomen, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek vorige week. De vraag is of decentrale overheden niet veel te veel oppotten. Een aantal gemeenten en provincies zwemt in het geld. Het spreekt niet vanzelf dat dit wordt belegd, dan wel in de komende jaren wordt uitgegeven voor sportvelden, groenvoorzieningen, gratis stadsvervoer of armoedebeleid. Rijke gemeenten en provincies zouden serieus moeten overwegen aan hun burgers een superdividend uit te keren in de vorm van een belastingverlaging gedurende een of meer jaren, totdat de aanwezige overreserves zijn weggewerkt. Inwoners van Amsterdam zijn dan spekkoper. Aan het begin van deze eeuw bezat de hoofdstad het hoogste eigen vermogen per inwoner (5.300 euro). Daarentegen zitten sommige gemeenten in Oost-Groningen vrijwel op zwart zaad.

Lokale en regionaal actieve politici zouden zich periodiek moeten bezinnen op de gewenste vermogenspositie. In het verleden beschouwde links vermogensvorming door de overheid als een nastrevenswaardig doel: grond in gemeenschapshanden, nationalisatie van productiemiddelen.

Deze doelstellingen zijn niet langer actueel nu de linkse stroming haar meeste ideologische veren heeft afgeschud. Bestuurders van uiteenlopende politieke overtuiging zullen elkaar snel vinden in het uitgangspunt dat de vermogenspositie van decentrale overheden in elk geval ongestoorde voortzetting van essentiële overheidstaken moet waarborgen. De na te streven omvang van het eigen vermogen zal dus vooral afhangen van de reserves die nodig zijn om in de toekomst eventuele financiële tegenvallers op te kunnen vangen. Voor de rest moet het vet liever van de gemeentelijke en provinciale botten. Bij een ruime vermogenspositie zijn bestuurders immers geneigd minder scherp op de kleintjes te letten.

De praktijk leert dat een instelling die beschikt over overtollig vermogen middelen verspilt aan onrendabele projecten of zaken die niet tot de kerntaken horen. Dat geld kan beter terug naar de burgers. Het is onbegrijpelijk dat plaatselijke en regionale volksvertegenwoordigers deze kans om bij de kiezers in een goed blaadje te komen zo opzichtig laten liggen.