Groepsstraf

Rechters moeten naar straffen leren kijken als naar medicijnen. Die zijn er ook niet voor die ene individuele patiënt.

Het strafrecht is voorbehouden aan personen met een gezond brein. Dat principe heeft ook een biologische basis. Resusapen straffen gewoonlijk ieder dier dat zich niet aan de groepsregels houdt. Een geestelijk achtergebleven Resusaapje met het Downsyndroom mocht echter alles doen wat anderen niet werd toegestaan zoals Frans de Waal beschrijft. Hoewel we dus alleen straf horen te geven aan iemand met een gezond brein, concludeerde Theo Doreleijers al dertien jaar geleden als eerste dat van de minderjarige delinquenten die werden voorgeleid 65 procent psychiatrische stoornissen had, maar dat nog niet voor de helft van hen diagnostiek was aangevraagd. Mogen we zulke kinderen verantwoordelijk stellen voor hun daden? Kindermishandelaars zijn vroeger als kind zelf mishandeld. Hoe verantwoordelijk zijn zij dan dat zij ook dit pad op zijn gegaan? Hoe verantwoordelijk is een puber voor het feit dat zijn hersenen opeens overspoeld worden door geslachtshormonen, die vrijwel ieder deel van de hersenen van functie doen veranderen? Het kind moet in de puberteit dus met een geheel nieuw brein leren omgaan, en dat terwijl de prefrontale cortex, die ons moreel gedrag in belangrijke mate stuurt, bij pubers nog zeer onrijp is. En hoe verantwoordelijk zijn verslaafden voor hun stoornis die veroorzaakt wordt door kleine variaties in hun DNA?

Morele veroordeling en straf die gebaseerd zijn op eigen verantwoordelijkheid berusten dus op drijfzand. Het gevoel van moraliteit is echter sterk verankerd in onze evolutionaire ontwikkeling, want het heeft belangrijke consequenties voor de overleving van de groep. Daaruit komt ook het idee voort dat je zelf voor je daden verantwoordelijk bent, al is dat een illusie. In tegenstelling tot wat er soms gedacht wordt, is onze geprogrammeerdheid nog geen argument tegen het opleggen van straf. Immers, de volgende keer kan ons brein een effectieve straf meenemen in haar onbewuste afwegingen of we iets wel of niet weer zullen doen. Daarbij kent straf ook aspecten die niets met de problematiek van eigen verantwoordelijkheid te maken hebben. De maatschappij eist van het strafrecht genoegdoening, en bovendien dient straf als bescherming tegen de daders en als waarschuwing aan anderen.

De kennis die we hebben over neurobiologische risicofactoren voor agressief of crimineel gedrag betreft altijd een groep individuen met een bepaald kenmerk. Dat betekent echter dat we een rechtbank niet de zekerheid kunnen geven dat een bepaalde factor bijgedragen heeft aan het plegen van het delict door een bepaald individu. Dit maakt volgens sommigen de praktische bijdrage van de neurobiologische kennis aan een veroordeling of preventieve hechtenis tot nu toe van ondergeschikt belang. Terecht zegt professor Ybo Buruma (NRC Handelsblad 7-11-2007): „Rechters hebben net zoals dokters met individuen te maken”. Maar vervolgens trekt hij daar precies de verkeerde conclusie uit: „Ik vind het allemaal prachtig, die kennis, maar zolang we er op individueel niveau in de rechtzaak niets mee kunnen, hebben we er niets aan”.En daarmee brengt hij rechten als wetenschap op het niveau van de geneeskunde van 100 jaar geleden, die ook naar eer en geweten zijn patiënten op individuele basis behandelde, maar geen idee had wat het effect zou zijn. De geneeskunde heeft die les geleerd. „Evidence based medicine” is altijd gebaseerd op effecten op een goed gedefinieerde groep patiënten. Je weet nooit of die ene patiënt die je het medicijn geeft bij de 95 procent zal horen die hierdoor geneest of tot de 5 procent die ernstige bijwerkingen krijgt waaraan een enkele misschien zal overlijden. Toch neem je de beslissing om die ene patiënt zo te behandelen op basis van de groepsgegevens. Zo moeten we ook kijken naar de factoren die voor een bepaalde groep het agressieve en criminele gedrag bepalen en de wijze waarop zo’n groep op preventieve maatregelen en de verschillende soorten en maten van straf reageert. Alleen op basis van deze groepsgegevens kunnen we een op kansen gebaseerde uitspraak over het individu doen, waarbij een zekerheid voor ons oordeel over die persoon weliswaar ontbreekt, maar we in ieder geval juist oordelen voor de groep waartoe hij behoort. Maar zover is het nu helaas nog lang niet bij Vrouwe Justitia. Zij probeert steeds weer een nieuwe vorm van straf uit, van taakstraffen tot strenge heropvoedingskampen zonder een goede controle groep, waardoor de effectiviteit ervan altijd weer omstreden blijft.

Dick Swaab

De auteur is hoogleraar in de neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is verbonden aan het Nederlands instituut voor Neurowetenschappen. Reacties en vragen kunt u sturen naar zbrieven@nrc.nl