Glimlachdiplomatie

De Olympische Spelen moeten bevestigen dat China een opkomende supermacht is. Deze metamorfose heeft ook een schrijnende keerzijde.

Als de Omega-klok op het Plein van de Hemelse Vrede op vrijdagavond 8/8/2008 aanwijst dat het acht minuten over acht is, beginnen in een opgevrolijkt, maar gespannen en zwaar beveiligd Peking de Olympische Spelen.

Voor 1,3 miljard Chinezen is het gigantische, vercommercialiseerde evenement niet alleen een sportief hoogtepunt, zoals voor de 17.000 atleten en miljoenen tv-kijkende sportliefhebbers elders. Zhongguo, het Land van het Midden, zoals China in het Mandarijn heet, viert met ‘Peking 2008’ ook dertig jaar spectaculaire economische en sociale ontwikkeling.

In 1978 zette toenmalig leider Deng Xiaoping de deuren naar de wereld open en hervormde, geholpen door een kunstmatig zwakke munt, met ongekend succes de economie van het eens geïsoleerde, naar binnen gekeerde China.

De Olympische Spelen zijn ook voor China een definitieve afrekening met het predicaat ‘Zieke man van Azië’. Alles is in het werk gesteld om na eeuwen van vernedering, (burger)oorlogen en zelfgekozen isolement voor een moderne en vreedzame supermacht in opkomst te worden aangezien.

Chinese schrijvers riepen onder pseudoniemen als ‘Zieke man van Azie’ (Zeng Pu in 1904) en in boeken met titels als Bloemen in een zee van zonden hun landgenoten op zichzelf door middel van sport te verbeteren. China vormde toen, aan het einde van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw, een miserabel deel van de wereld.

Het anachronistische keizerlijk systeem stond op instorten en buitenlandse mogendheden bestreden elkaar en bevochten de Chinese krijgsheren. In navolging van Yan Pu in 1895 legde Zeng een verband tussen sport (en studie) en een sterke natie. Tijdens de keizerlijke dynastieën speelde sport een marginale rol, ook als gevolg van het confucianisme.

De import van opium door de Britten had de Chinese mannen verzwakt, de vrouwen leden onder het voetbinden. De eerste sportschool in Peking werd in 1908 daarom gedoopt tot ‘Sterk het fysiek, werp de schaamte van de zieke man van Azië af’.

Na de val van de laatste keizer in 1912 legden ook politieke vernieuwers, onder wie dr. Sun Yat Sen, een verband tussen sport en de ontwikkeling van het land. In 1922 werd China lid van het internationaal olympisch comité (IOC) en nam in 1932 in Los Angeles voor het eerst aan de Spelen deel en was in 1936 in Berlijn aanwezig met een kleine ploeg.

Aanvankelijk was Mao Zedong, die tijdens de burgeroorlog het leiderschap van de Communistische Partij van China had veroverd en in 1949 de eerste leider van de Volksrepubliek werd, ook geobsedeerd door sport en shangwu (militaire strijdlust). Maar tijdens de verwoestende Culturele Revolutie noemde Mao sport opeens bourgeois en verderfelijk.

Pas na de beroemde reis van de Amerikaanse president Nixon in 1972 werd vooral tafeltennis gebruikt om vriendschapsrelaties op te bouwen, vandaar de term ‘pingpongdiplomatie’. Maar na de dood van Mao in 1976 duurde het tot 1984 voordat China weer deel zou nemen aan de Spelen.

Groot struikelblok was al die tussenliggende jaren het eiland Taiwan, waar de nationalisten in 1949 de Republiek China hadden gesticht. Taiwan (en de eenheid van China) is voor Chinezen even belangrijk als Jeruzalem voor de joden. Peking zal nooit afstand doen van de claim op dit eiland. Aangezien Taiwan vanaf 1956 deelnam aan de olympiades kon China zonder een bevredigende regeling onmogelijk naar de Spelen.

Het IOC ging in 1979 door de bocht en erkende met zoveel woorden de Chinese aanspraken op Taiwan. Vanaf die periode is China zich gaan ontwikkelen tot een sportland en probeerde het vanaf 1990 de Spelen naar Peking te halen. Dat lukte uiteindelijk in 2001, mede door toedoen van het Chinese IOC-lid He Zhenliang, die IOC-voorzitter Samaranch steunde tijdens de smeergeldcrisis van 1999.

Bij de Spelen in China gaat het er intussen niet langer om zo veel mogelijk medailles te halen, maar ook om te demonstreren dat China een gecompliceerd, modern, hoogtechnologisch evenement kan organiseren. De bekwaamheid waarmee de Spelen zijn georganiseerd staat buiten kijf, zelfs het rochelen, spugen en voordringen zijn gereguleerd. Tegelijkertijd is de keerzijde nog scherper in beeld gekomen: de sociale kostprijs van de Spelen.

De olympische accommodaties zijn gebouwd door tienduizenden onderbetaalde migrantenarbeiders. De kloof tussen de 120 miljoen nagenoeg rechtenloze migrantenarbeiders en de nieuwe, welvarende middenklasse wordt steeds groter, wat bevestigt dat China alleen nog in naam een communistische staat is. De vervuiling van lucht, grond en water lijkt – alle wetten en goede bedoelingen ten spijt – onbeheersbaar en alleen door middel van tijdelijke noodmaatregelen wordt de lucht in Peking en de andere olympische steden misschien een beetje schoner.

Sporters en toeristen, allemaal onder de indruk van de nieuwe architectuur en de metro, krijgen het echte Peking niet te zien. Onaantrekkelijke wijken zijn weggemoffeld, bedelaars en arbeiders de stad uitgestuurd en traditionele eethuisjes zijn tijdelijk gesloten.

IOC-bestuurders en westerse politici die in 2001 hoopten dat ‘Peking 2008’ zou leiden tot een Chinese democratische lente in navolging van de democratisering van Zuid-Korea na ‘Seoul 1988’ moeten teleurgesteld zijn. Staat en partij worden weliswaar voortdurend gemoderniseerd, maar ze staan geen millimeter macht af.

Persvrijheid is strikt gedefinieerd en blijft beperkt tot gebieden als milieu en corruptie; al te kritische schrijvers, journalisten en bloggers lopen aanzienlijke risico’s, zeker als zij oproepen tot politieke en sociale actie tegen de eenpartijstaat of pleiten voor een autonomer Tibet.

Daar staat tegenover dat als gevolg van de economische ontwikkeling honderden miljoenen Chinezen – niet alleen in de grote oostkuststeden – zijn ontsnapt aan de meest abjecte armoede en tirannie.

Vraag het iedere Chinese man of vrouw van dertig jaar en ouder en hij of zij zegt zich vrijer, welvarender, gezonder en gelukkiger te voelen dan hun ouders en grootouders ooit geweest zijn. En dat zijn zij ook. Dat verklaart mede waarom er geen grote tegenbeweging is ontstaan die de alleenheerschappij van de communistische partij betwist.

Mede dankzij de razendsnelle uitbreiding van internet, studies en buitenlandse reizen is ook op het gebied van vrijheid van meningsuiting en openheid een wezenlijke verandering in gang gezet. Ook religie is weer in opkomst.

Het gecensureerde internet (500 miljoen netizens in 2010) is overigens ook het podium van het nieuwe nationalisme dat zich lijkt te ontwikkelen als een alternatief voor het communisme, waarin slechts nog weinigen geloven. Na de botsingen in Tibet en de aardbeving in Sichuan kwam dit nationalisme weer bovendrijven – vooralsnog als een ventiel, een uitlaatklep voor de verontwaardiging over de Tibetberichtgeving in sommige westerse media of het onbegrip in het Westen over de geschiedenis, de schaal en de complexiteit van China.

Onder het olympische motto ‘Eén Droom, Eén Wereld’ toont China zich een vreedzame, opkomende supermacht, die uiterst omzichtig te werk gaat. Azië en Afrika varen daar wel bij.

Maar zolang sociale advocaten, dissidenten en journalisten worden opgesloten, demonstranten worden opgepakt en regimes als Zimbabwe en Soedan worden gesteund met geld en wapens zal China nooit helemaal begrepen worden, althans niet in het Westen. Ook niet na de glimlachdiplomatie van ‘Peking 2008’.