Gevallen sterren

Oud-topsporters hebben het moeilijk in China. De meesten vallen na een glansrijke carrière in een zwart gat. De winnaars van weleer moeten de straat op om vodden te verkopen. Dat is de keerzijde van de gouden medaille.

Li Jiadong had een droom. Hij wilde wereldkampioen tafeltennis worden. Vier jaar geleden kwam de negentienjarige boerenzoon vanuit de zuidelijke provincie Jiangsu naar Peking om te trainen met de selectie van het provincieteam van de hoofdstad. Met vijf leeftijdgenoten deelt het gespierde knaapje nu een benauwde kamer in het trainingscentrum in de wijk Xiannongtang. Hij tafeltennist zes uur per dag. Slechts twee ochtenden in de week volgt hij normale schoolvakken. „Op de lagere school in Jiangsu heb ik vierduizend karakters geleerd. Omdat ik ze niet meer zo vaak gebruik, ben ik ze bijna allemaal al vergeten.”

Li heeft het in zijn leeftijdscategorie nooit verder geschopt dan de achtste finales op de nationale kampioenschappen. Nu hij zich realiseert dat zijn ultieme droom onhaalbaar is, is hij gedeprimeerd en denkt hij aan stoppen met topsport. Ma Yu, Li’ s piepjonge coach, schudt zijn hoofd. „Jiadong heeft zoveel talent, maar steeds weer bezwijkt hij onder de wedstrijddruk. Of hij mentale begeleiding krijgt? Het selectiesysteem is zo zwaar. Degene die niet met de druk kan omgaan, valt vanzelf af.” In de verveloze, donkere trainingszaal zegt Li dat hij zich bezint op zijn toekomst. „Ik weet dat ik nu vooral speel om anderen goed te maken. Maar dat is altijd nog beter dan terug te gaan naar het platteland. Mijn ouders zullen teleurgesteld zijn. Ze denken dat ik nog steeds vooruitgang boek.”

In China zijn er naast Li nog zo’n 300.000 kinderen en jongeren van negen tot twintig jaar die zich alleen maar met sport bezighouden. Volgens de overkoepelende sportbond National Sports Administration nemen om uiteenlopende redenen jaarlijks zevenduizend sporters afscheid van hun carrière. Naar schatting eenderde daarvan al op zeer jonge leeftijd. Omdat na de hervormingen van Deng Xiaoping de ‘van de wieg tot het graf’-voorzieningen van de staat ook voor de topsporter werden afgeschaft, en omdat er weinig of niets aan nazorg wordt gedaan, vallen steeds meer topsporters na hun loopbaan in een zwart gat.

Vooral subtoppers zoals Li, die afkomstig zijn van het platteland, ontbreekt het aan sociale en intellectuele vaardigheden om zonder overheidssteun in de gewone maatschappij te slagen. Een aantal oud-atleten kwam het afgelopen jaar met hun klachten naar buiten. Marathonloopster Ai Dongmei spuwde haar gal over het feit dat oud-topsporters aan hun lot worden overgelaten. Ai, die uitkwam voor het atletiekteam van de provincie Liaoning, had een olympische droom voor 2008, maar moest wegens een voetblessure haar carrière beëindigen. Ze moest vodden op de markt verkopen om haar baby te kunnen onderhouden. „Mijn hart huilt omdat mijn voormalige team niet naar mij omkijkt en omdat ik niks heb teruggekregen voor al die jaren dat ik keihard heb gewerkt”, zei Ai vorig jaar in het staatsblad China Daily.

Ai kreeg de aandacht en de sympathie van het volk door aan te kondigen dat ze haar medailles wilde verkopen. Bovendien klaagde ze haar ex-coach aan omdat hij haar prijzengeld afhandig zou hebben gemaakt. „Ik heb geen keuze. Ik heb me in de schulden gestoken en mijn kind moet blijven leven”, motiveert ze haar ludieke actie. Een rijke zakenman bood 100.000 euro voor haar medailles, maar de Chinese overheid greep in. Nu bestiert Ai een sportwinkel in Tongzhou, een buitenwijk van Peking.

De klaagzang van Ai staat niet op zichzelf. Meer gedupeerde atleten kwamen zo vlak voor de Spelen met hun grieven naar buiten. Gewichthefster Zou Chunlan was genoodzaakt na haar sportcarrière nederig werk te verrichten. Ze moest zandzakken sjouwen en toiletten schoonmaken. Nationaal kampioen wielrennen Jia Genping had zo weinig om op terug te vallen dat ze haar kind niet eens naar school kon sturen. Cai Li, een voormalig Aziatisch kampioen gewichtheffen, werd na zijn carrière uitsmijter en overleed in 2003 omdat hij geen geld had voor doktersrekeningen.

Het lot van oud-topsporters hield vorig jaar de gemoederen zo bezig, dat het zelfs onderwerp van gesprek was tijdens de vergadering van het nationale congres. Parlementslid Ye Qiaobao pleitte voor meer overheidssteun voor atleten. „Atleten nemen ter meerdere eer en glorie van het vaderland veel risico”, zei Ye, die in 1994 op het onderdeel shorttrack de eerste gouden medaille voor China binnenhaalde op de Olympische Winterspelen. „Wij kunnen niet toestaan dat de trots van onze natie onder het bestaansminimum moet leven. Ook degenen die niet in de schijnwerpers hebben gestaan,verdienen na hun carrière net zo’n behandeling als oorlogsveteranen, die goed worden gecompenseerd en veel privileges genieten.”

Yu Fen, professor inspanningsfysiologie en coach van de schoonspringers van de Tsinghua-universiteit, zegt dat het probleem niet in de nazorg of financiële compensaties zit. Volgens de frêle maar breedgeschouderde coach is het hele staats-sportsysteem niet meer van deze tijd. „Chinese topsporters worden te eenzijdig opgeleid. Er moet meer mentale begeleiding komen en coaches moeten meer aandacht besteden aan de persoonlijke ontwikkeling van atleten. De universiteitsteams moeten ook meer financiële steun en status krijgen”, zegt Yu Fen in de aula van de Tsjinghua-universiteit.

Haar uitspraken zijn opmerkelijk omdat het in China niet gebruikelijk is dat coaches openlijk kritiek leveren op het sportsysteem. Van 1975 tot 1979 maakte Yu zelf deel uit van de nationale schoonspringploeg. Maar omdat ze overtraind was, raakte ze geblesseerd. Op haar achttiende nam ze afscheid en meldde ze zich bij de sportuniversiteit van Wuhan, waar ze naast haar studie de studenten van de plaatselijke districtsportschool coachte. „Ik heb ervaren hoe vluchtig succes is. Toen ik gedwongen was te stoppen, stond ik plotseling met lege handen.”

In Wuhan kwam ze als trainster voor het eerst in contact met een begaafd meisje: de beroemde schoonspringster Fu Mingxia. „Ik zag direct haar gratie en vastberadenheid. Ze was toen pas vijf maar ik wist dat ik goud in handen had.”

In 1992 sleepte Fu in Barcelona op dertienjarige leeftijd de olympische titel op de driemeterplank in de wacht. Dat een kind op zo’n jonge leeftijd al goud won, trok veel media-aandacht. Vier jaar later, tijdens de Spelen van Atlanta in 1996, was Fu inmiddels tot volle bloei gekomen. Ze won de titel op zowel de drie- als de tienmeterplank. Na 1996 kon Fu de zware trainingsarbeid niet meer opbrengen. Ze raakte in een depressie en wilde stoppen met duiken. Niemand die haar nog op andere gedachten kon brengen; ze besloot te gaan studeren aan de Tsjinghua-universiteit.

Maar na enige tijd begon het toch weer te kriebelen. Het toeval wilde dat de Tsjinghua-universiteit begon met de bouw van een zwembad op de campus. Fu haalde haar oud-coach Yu, die toen weer in Wuhan trainde, naar Peking en het duikteam van de Tsjinghua-universiteit was een feit. Fu trainde elke dag vier in plaats van de gebruikelijke zeven uur en besteedde de rest van de dag aan haar studie. Al gauw bleek dat ze weer op het hoogste niveau mee kon. Ze kwalificeerde zich voor de Spelen in Sydney en haalde opnieuw een gouden medaille op de driemeterplank.

Dat een lid van een universiteitsteam deel uitmaakt van het nationale team is in China zeer ongebruikelijk. Volgens coach Yu was haar succes op de Spelen van Sydney dan ook on-Chinees. „Fu maakte vroeger elke dag honderd sprongen. Op de Tsjinghua-universiteit waren dat er nog maar de helft. De training was efficiënter, we besteedden veel meer tijd aan mentale training en omdat Fu afleiding vond in haar studie had ze na al die jaren weer plezier in het duiken.”

Yu’s succes leidt nog steeds tot veel discussies in de Chinese sportwereld. Met haar menselijke methode leverde de vooruitstrevende schoonspringcoach maar liefst vijf atleten af die volgende maand in Peking zullen deelnemen. „Fu Mingxia had zich in het verleden al bewezen, dus was er veel scepsis. Maar als mijn pupillen in Peking opnieuw succesvol zijn, zal dat onherroepelijk leiden tot veranderingen in het staatsopleidingssysteem. In een land als China kun je dat gerust revolutionair noemen.”