Geld is vrijheid

Deze zomer beschrijven onze correspondenten de verhouding van hun land met geld.

Een pak laten maken op de Shanghaise textielmarkt voor vijfenzestig euro plus vijf overhemden voor vijftig euro. Dat doet iedere Westerse zakenman, toerist of expat. Maar Cheung Wu, de 28-jarige vicepresident van investeringsfirma Knight-Frank – die luistert naar de Engelse naam Norman – zal je er niet aantreffen.

„In het Chinese bedrijfsleven zie ik niemand meer met een pak goedkoper dan 1000 dollar”, vertelt hij en neemt nog een slokje van zijn Café Latte in Seeckers in de Franse Concessie van Shanghai. De stoep van deze gelegenheid wordt gebruikt als parkeerplaats voor zijn en andere BMW’s.

Over de betekenis van qian (geld) in het moderne China wordt veel en tamelijk vaag gepsychologiseerd. Na het rampzalig verlopen experiment met het maoïsme zou miljonair worden het hoogste doel in het leven van iedere Chinees zijn. Er zou een aan gekte grenzend consumentisme zijn ontstaan. Geldzucht zou voortvloeien uit decennialange onderdrukking. De begerige jacht op luxemerken zou een uiting zijn van rebelse energie.

Zou het werkelijk waar zijn?

Het is waar, er worden inderdaad graag en veel Mercedes-Benzen, BMW’s en Porche Cayennes gekocht. De Chinese automobilist die het zich kan permitteren, mijdt nu eenmaal liever de merken van Chinese bodem. De grote Franse en Amerikaanse couturiers doen het goed in China. Ook daar geldt dat de welvarende consumenten liever kwaliteit kopen dan namaak, hoewel het verschil vaak onzichtbaar is.

Boeken over rijk worden voeren de bestsellerlijsten aan en Warren Buffet, het financiële orakel in de VS, is de best verkochte schrijver van dit moment in China. Anderhalf miljoen dollar betaalde onlangs een 32-jarige Chinese miljonair (een van de 600.000) om met meneer Buffet een boterhammetje te mogen eten. Bruiloften worden steeds extravaganter, interieurwinkels en designers doen fantastische zaken. Net als trouwens de kranten die in de weekends lifestylebijlages boordevol met advertenties publiceren.

Norman haalt zijn schouders op. „Dat is allemaal waar. Maar misschien is het omdat ik een common-sense-type ben, dat ik niet zo veel verschil zie met mijn collega’s in Hongkong, Londen en New York. Ik werk hard, ik verdien goed en ik geef uit. Ik heb een huis, een auto, ik help mijn ouders en ik kan niet in een blauwe werkbroek op mijn werk verschijnen”, zegt hij.

„Ik zie eigenlijk ook geen verschil tussen Shanghai op zaterdagmiddag als iedereen naar de Nanjing Lu of de HuaiHai Lu gaat om te winkelen en de drukte in Oxford Street in Londen of Fifth Avenue in New York. Zelfs de winkels zijn hetzelfde. Alleen is hier alles erg nieuw.”

Hij zegt dat niet vergeten moet worden dat sinds de hervorming van de Chinese economie de ‘ijzeren rijstkom’ is afgeschaft en iedereen voor zichzelf moet zorgen. Staatsfabrieken worden in hoog tempo gesloten, uitkeringen en pensioenen zijn onleefbaar laag. „Ik wil niet arm zijn. Geld verdienen is gewoon noodzakelijk om dat niet te zijn en tegelijkertijd je ouders te helpen”, zegt Norman met nadruk.

Hij woont in een gewilde buurt met veel Franse architectuur uit de jaren ’30 van de vorige eeuw. Het is een buurt waar de nieuwe middenklasse al vroeg neerstreek. Iedere dag worden hier nieuwe restaurants, gourmet- en wijnwinkels en couturezaken geopend. Gao Xin is couturier, eigenaar van Even Penniless. Iedere Chinese zaak met pretenties heeft een Engelse naam.

Zijn prijzen voor jurken, rokken, jasjes en tasjes beginnen bij 500 euro. Dat is meer dan het gemiddelde maandsalaris in Shanghai en duur voor een Chinees merk. Gao zegt dat hij goed verkoopt ondanks de concurrentie van vijf andere couturiers in de Chang Le Lu.

Gao vindt Norman Cheung „echt een zakenman, want veel te nuchter’’, maar ook hij heeft een hekel aan dat gemystificeer als het over China gaat. Hij ziet in de geld- en kooplust in zijn land „de wedergeboorte van individuele expressie in China”. Niet alleen is rijk worden geen misdaad meer, geen ‘zonde’, zoals leider Deng Xiaoping eens zei, maar is geld uitgeven een nieuwe vorm van vrijheid.

De couturier: „Ik heb vrouwen als klant die geen miljonair zijn of niet getrouwd zijn met een heel rijke man, maar liever een keer hier komen dan dat zij vijf keer iets uit het rek kopen in een warenhuis. Zij voelen zich daardoor beter.”

Twintig jaar geleden maakten de hoogste leiders van het land zich nog hogelijk ongerust over de opkomst van moderne kapsels en kleren, want die golden als westers en decadent.

Gao: „Vaak wordt vergeten dat Chinezen individualisten zijn, superindividualisten als zij de kans krijgen. Let maar eens op hoe Chinezen autorijden, fietsen of op straat lopen. Het is ieder voor zich. Zo is het ook met geld. Geld is vrijheid om te kopen, te studeren, te reizen en daarin verschillen wij niet van de rest van de wereld. Alleen werken wij misschien wat harder om ons doel te bereiken. ”