Fascinerende top

Modeontwerpster Conny Groenewegen brengt Michael Jackson en Piet Mondriaan bijeen.

De Amsterdam International Fashion Week is in volle gang. Bij de Westergasfabriek en op andere hoofdstedelijk locaties showen talenten als Jeroen van Tuyl en Claes Iversen én gevestigde labels als Blue Blood en Oilily hun visie op de zomermode van 2009 aan pers en genodigden.

Modeontwerpster Conny Groenewegen (1971) onthult deze keer haar collectie Lente/Zomer 2009 iets later tijdens een ander evenement, de Amsterdamse FreeDesigndom week die in september plaatsvindt. De basis van de collectie is een denkbeeldige ontmoeting tussen Michael Jackson en Piet Mondriaan. „Ik kreeg het idee door een gebreide top die mijn stagiair op een dag meebracht. Die top is wit, blauw, rood in een grafische verdeling en heeft frivole gebreide mouwkapjes. Hier ontmoeten de werelden van Jackson en Mondriaan elkaar op de meest basale manier. Daar wilde ik meer van weten. Het blijft een fascinerende top, waar ook iedereen direct op reageert uit bewondering of verbazing.”

Dat Groenewegen de ene keer showt tijdens de modeweek en een andere keer kiest voor een designweek, illustreert de spagaat van de ontwerpster sinds haar eerste presentatie in 2006 in een designgalerie.

Als ze moet kiezen, zegt Groenewegen, voelt ze zich iets meer thuis in de designwereld dan op snelle modeshows. Ze houdt niet zo van de dwang van de mode-industrie om ieder seizoen met wat nieuws te komen. Ook de reacties na afloop van een show staan haar tegen. Verder dan ‘mooi’ of ‘leuk’ komen modemensen zelden, al zien ze heus wel dat ze haar stoffen niet van de markt betrekt. „De gelaagdheid van mijn ontwerpen vinden ze veel minder belangrijk”, zegt Groenewegen.

„Tijdens een galerie-presentatie informeren bezoekers eerder naar techniek en materiaal.” Ze kan dan vertellen dat het vertrekpunt van haar gebreide collectie een ijsje was, en dat de eerste proefmaterialen meer weg hadden van dikke interieurstof dan van het transparante breisel waar ze naar streefde. Maandenlang onderzocht Groenewegen hoe ze de textuur van een ijsbolletje het best kon vertalen naar een breisel.

Aanvankelijk, merkte Groenewegen, kreeg het modepubliek moeilijk grip op het label Conny Groenewegen met die arbeidsintensieve ontwerpen in ruimtelijke structuurbreisels. Was dat wel mode?

„Van mijn designkwaliteit ben ik overtuigd, het onderzoek klopt, het niveau van de techniek klopt. Maar op de catwalk ontgaat het publiek een groot deel van die kwaliteit.” Ze zit er niet over in. „Ik weet zeker dat het op een gegeven moment allemaal bij elkaar komt.”

Groenewegens haat-liefdeverhouding met mode speelde al tijdens haar studie aan de Rotterdamse Willem de Kooning Academie. Voor ze in 1996 afstudeerde, wisselde ze twee keer van studierichting – van mode naar autonome beeldende kunst naar mode.

Pas sinds 2002 weet ze zeker dat ze door wil gaan met mode. Voor Droog Design deed ze enkele researchprojecten, waaronder één naar de geschiedenis van kant in de streek rond Calais en Lille. In het kader van dat onderzoek spendeerde ze uren in de bibliotheek van Parijs. Fantastisch, vond ze het, net als het bestuderen van de stoffen van de grote couturiers. „De rijkdom aan kwaliteit die je in Parijs vindt! In Nederland is het echt armoede. Het niveau dat ik daar zag streef ik na.”

Maandenlang diepgravend kantonderzoek mondde in 2006 uit in Rupture, haar eerste modecollectie met leren jurken waar met lasers abstracte kantmotieven in waren gemaakt. Conny Groenewegen oogstte er succes mee en maakt op verzoek nog steeds nieuwe uitvoeringen.

Inmiddels is ze twee collecties verder. Maar de illusie om ‘even snel’ de wereld te veroveren is ze kwijt. „Als je begint, realiseer je je niet hoe complex de modewereld is. Het gaat niet alleen om een collectie maken, maar ook om presentatie, verkoop en pers.”

Modebladen lenen haar kleding steeds vaker voor fotoshoots. En er is klandizie in Nederland en in het buitenland. „In Japan vinden ze het heerlijk als ik weer een collectie opstuur naar mijn agent daar en dat ze weer nieuwe ontwerpen kunnen bestellen.”

Ze produceert de kleding zelf. „Een heel leerzaam, maar ook moeizaam proces”, lacht Groenewegen, die voor de laatste twee collecties zelf alle stoffen breide op een computergestuurde Stoll Knit & Wear breimachine in het Tilburgse Textielmuseum. De stoffen mogen dan wel industrieel zijn en er eenvoudig uitzien, maar de complexe ontwerpen vergen uren handwerk. Het is iets wat de laatste jaren – sinds Prada daar mee begon – steeds vaker voorkomt in de mode.

Groenewegen: „In de vormgeving zag je dat al eerder, die concentratie op materiaal en de toegevoegde waarde van het handwerk. De kloof tussen goedkoop, industrieel en snel aan de ene kant, en maatwerk, handwerk en verfijning aan de andere, gaat steeds groter worden.”

Dat zoiets tijd kost weet Conny Groenewegen. „Ik heb geduld.” Dat kan ze goed gebruiken, want de Stoll breimachine van het Textielmuseum is pas eind deze zomer weer beschikbaar. Wat ze dan gaat onderzoeken weet ze al. „Eén model, uitgewerkt in verschillende variaties van garens en technieken. Ik wil voortborduren op wat ik eerder ontdekte en dat bewuster inzetten. Dat is voor mezelf de verdieping.”