Duizend keer duiken

Wuqiang Pang was onder meer bondscoach van de Nederlandse volleybalvrouwen. Hij is geboren en getogen in China, waar hij werd gevormd als trainer. „In China is plezier sluitstuk.”

Als jonge volleyballer in Shanghai was Wuqiang Pang soms zo moe, dat hij ’s nachts niet kon slapen. Dan was hij met zijn collega’s in het Chinese volleybalteam weer urenlang onder handen genomen, gedrild. Vijfhonderd keer springen en smashen, zeshonderd keer naar voren duiken en een bal verdedigen – met koprol. Tot hij bont en blauw zag en alles pijn deed. „Zelfs als het in de winter heel koud was, voelde je lichaam heel warm.”

Wuqiang Pang (63) voelt het nog bijna lijfelijk. De Chinese volleybaltrainer werd geboren in Shanghai, maar woont al jaren in Capelle aan den IJssel. Ruim twintig jaar is hij nu in Nederland; hij beschikt over een Nederlands paspoort, al spreekt hij overwegend Engels. Wuqiang Pang was onder meer bondscoach van de Nederlandse vrouwenploeg en assistent-bondscoach bij de mannen, met wie hij zilver won op de Olympische Spelen van 1992.

Als speler kwam Pang in 1972 tot een handvol wedstrijden voor de Chinese nationale ploeg. Met zijn club Shanghai vierde hij vijf landstitels op rij, voordat hij zich op het trainersschap stortte. Dáár, in Shanghai, leerde hij het vak. Op de Chinese manier.

De ‘Chinese’ trainingsmethoden waaiden in de jaren zestig ooit over vanuit China’s buurland Japan, zegt Pang, die er volop mee te maken kreeg. De Chinese autoriteiten hadden ze afgekeken van de coach van de Japanse volleybalvrouwen, Hirofumi Daimatsu, die destijds bekend stond om zijn draconische methoden. Succes had de meedogenloze aanpak van Daimatsu zeker. Met de Japanse volleybalvrouwen bleef hij 175 wedstrijden achter elkaar ongeslagen, waaronder de finale van de Olympische Spelen in Tokio (1964). „De Chinese leiders zagen dat”, zegt Pang. „Alleen met kei- en keihard trainen kun je de top bereiken, was de boodschap.”

Daimatsu kreeg een uitnodiging van de Chinese leiders. Hij mocht de nationale vrouwenselectie van China een maand lang afbeulen. Pang zag hem aan het werk. „Dagelijks zes-, zevenhonderd keer duiken. Duizend keer. Herhalen, herhalen, herhalen. Zes, zeven, acht uur trainen op een dag. Tot die tijd waren vijftien ballen genoeg op een training, met de methode van Daimatsu gebruikten we ineens tachtig ballen. Per week kreeg je een halve dag vrij.”

De methode-Daimatsu verspreidde zich over China als een olievlek, zegt Pang. „Ook andere sporten stapten over, zoals basketbal, maar ook tafeltennis. Iedereen kopieerde het. De filosofie van de Chinese sportmensen werd: alleen met hoge kwantiteit krijg je hoge kwaliteit.”

En in Azië werkte het, zegt Pang, wijzend op de resultaten. „Na één of twee jaar trainen zie je het verschil. Zware, lange trainingen leiden tot succes. De Chinese vrouwen werden in 1984 olympisch kampioen.”

Maar in Europa? Nee, onmogelijk, weet de Chinese Nederlander. „Aziaten en Europeanen zitten heel anders in elkaar”, zegt Pang. „De bouw van de mensen is verschillend, de spieren, de geest. Aziaten zijn lichamelijk heel snel, heel beweeglijk en flexibel. Europeanen zijn groot en sterk, ze hebben power.”

Maar ook de geest werkt anders in Europa, zo leerde Pang gaandeweg. In het begin maakte hij fouten met zijn harde aanpak, erkent hij. „Dan kwam er een fysiotherapeut na de training naar me toe, die zei: ‘je bent bezig mensen te blesseren met je trainingen!’ In Europa sporten mensen omdat ze het leuk vinden. Als ze het niet meer leuk vinden, stoppen ze er gewoon mee. ‘Bye Bye. Waarom zou ik dit doen als ik het niet leuk vind?’”

In China gaat dat anders, zegt Pang. „Daar willen sportmensen ook plezier hebben, maar voor hen is dat het sluitstuk. Onderweg naar het succes hoeft het niet leuk te zijn. Nu hard werken, dan ben je over twee jaar kampioen. Dan kun je ervan genieten.”

Toch is er de afgelopen twintig jaar veel veranderd in China, zegt Pang, die zijn geboorteland nog elk jaar bezoekt om er zijn sportvrienden te bezoeken. „Vroeger trainde je gewoon door als je een lichte blessure had. Nu zijn ze voorzichtiger met de sportmensen. Ze trainen wat minder, er wordt meer gerust.” Maar het arbeidsethos is niet veranderd: „Als je last hebt van je rechterarm, train je maar met je linkerarm. Geblesseerde spelers gaan niet winkelen.”

Ook de faciliteiten zijn volgens Pang oneindig veel beter dan in zijn jeugd. „Vroeger had je alleen maar wat hulpmiddelen voor krachttrainingen, nu heb je de modernste apparatuur, computers, prachtige trainingsaccommodaties, hotels voor de atleten, ze hebben een eigen kok. Ze worden geadviseerd door wetenschappers, begeleid door medici. Alles is er.”