De ziel van China

Wat doet de economische omwenteling met de traditionele Chinese cultuur? Individualisme en materialisme dringen zich op. Toch hangt de schim van Confucius nog altijd over het dagelijks leven van de Chinees.

Sommigen schrijven het economische én sportieve succes van China toe aan het confucianisme. Anderen zien in deze levensfilosofie een verklaring voor het Chinese gebrek aan individuele expressie, mensenrechten en vrijheid. Hoe lang houden opofferingsgezindheid, trouw en discipline nog stand nu China in ijltempo moderniseert en urbaniseert? Wordt deze eeuwenoude levensbeschouwelijke pilaar onder de maatschappij verruild voor westers individualisme en consumentisme? Zoals met alles in China, ligt de waarheid ergens in het midden.

Tegen het einde van dit jaar viert China het begin van de landbouwhervormingen, die dertig jaar geleden de ontmanteling van de planeconomie inluidden. Sindsdien is China verstedelijkt, verwesterd, en ‘gedeïdeologiseerd’. De politieke generatie die het land de 21ste eeuw inleidt, kent de verschrikkingen van het verleden, en heeft ideologie verruild voor pragmatisch socialisme – een marxistisch en leninistisch uithangbord voor een kapitalistische toko. Voor de jongeren die de topuniversiteiten bestormen is ‘6/4’ (de studentenopstand van 4 juni 1989) nauwelijks bekend, laat staan de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie. Hun streven is het doorstaan van de moordende competitie van het onderwijssysteem, en het veroveren van een baan met tienduizenden andere afgestudeerden. Deze generatie houdt zich bezig met Prada, elektronische gadgets, popmuziek en het verzinnen van hilarische parodieën daarop (google ‘DaDaDa’ en ‘Back Dormitory Boys’). Hun zorg is een materialistische, geen ideologische.

Wat doet deze omwenteling met de traditionele Chinese cultuur? Laten we vooropstellen dat er geen ‘traditionele’ cultuur bestaat alsof die in steen is uitgehouwen. De Chinees tijdens de Han-dynastie streefde niet dezelfde normen en waarden na als de Chinees onder Mao, of de Chinees van vandaag. De Chinese cultuur heeft wel altijd een eigen signatuur met een onweerstaanbaar AXE-effect gehad. De grensvolken die de Chinezen het leven zuur maakten tijdens invallen en bezettingen – de Liao, Tangut, Mantsjoes en Mongolen – zonder uitzondering werden zij Chinees. Van woeste nomade te paard veranderden ze in een beschaafde confucianist. Het behoud van eigen identiteit is een illusie tegenover een confucianistische overmacht, ook al weiger je een Chinese achternaam of je voeten in te binden. De stichter van de Liao-dynastie, Abaoji, die vloeiend Chinees sprak, deed dit nooit voor eigen stamleden. Vlak voor zijn dood sprak hij de hoop uit dat zijn volk het rauwe ‘Nomade-Zijn’ zou behouden, en niet ‘week’ zou worden als een Chinees. Helaas, het confucianisme is sterker gebleken en heeft evenzo het cultureel genoom van zijn volk bepaald, als dat van de Chinees.

Chinezen claimen een welhaast ononderbroken geschiedenis van de vroegste tijden tot nu. Het is een verleidelijke interpretatie voor een historie die zoveel schijnbare parallellen kent met het heden. Terwijl het Maya net zo ver van de moderne Mexicaan afstaat als het hiërogliefenschrift van de hedendaagse Egyptenaar, schrijft de Chinees vandaag de dag zijn karakters niet veel anders dan tweeduizend jaar geleden. De spaghetti bolognese heeft weinig meer van doen met de dagelijkse spijs in het oude Rome. Onlangs berichtte Nature dat Chinese archeologen een keramieken kom hadden gevonden. Na voorzichtig omdraaien troffen ze een maaltijd noedels aan, duizenden jaren oud, maar bijna niet te onderscheiden van de noedels die nu op elke straathoek in China worden verkocht.

Deze geschiedenis is voor de Chinees het culturele referentiekader waaruit naar hartelust geput wordt voor symbolen en concepten, die steeds weer worden aangehaald, uitgevonden, of voorzien van een nieuwe interpretatie. Dit is de ziel van de natie, en de reden waarom het Chinese hartland al ruim twee millennia – ondanks fenomenale culturele en maatschappelijke centrifugale krachten – toch telkens weer bij elkaar komt.

De normen en waarden die dit referentiekader schragen, kunnen in één woord worden samengevat: confucianisme. De Chinees is en blijft een verstokte confucianist, ondanks zijn geloof in een Taoïstische Weg of een boeddhistisch karma. In die zin heeft het confucianisme China evenzo gevormd als het christendom het Westen en de islam het Midden-Oosten. Het confucianisme is de filosofie van het collectief, en onderscheidt hiertoe vijf relaties: vorst versus onderdaan; man versus vrouw; vader versus zoon; oudere broer versus jongere broer; en oudere vriend versus jongere vriend. Het sociale cement wordt gevormd door harmonie, zelfbeheersing, medemenselijkheid en respect.

In China lijken de effecten van het confucianisme overduidelijk. Met een zekere gelatenheid aanvaardt de Chinees zijn leven tussen de massa’s, en maakt hij zijn belangen ondergeschikt aan die van het collectief – de staat, de werkgever, maar vooral... de familie. Met hetzelfde gemak waarmee de Chinees ervoor kiest op een klein oppervlak samen te leven met de hele familie, kiest hij ervoor jaren gescheiden te leven omdat het werk dit vereist. Volgens de onlangs overleden schrijver Bo Yang is het confucianisme een vat met taaie, donkere sojapasta. Iedere Chinees die erin valt, komt eruit als een identieke, gefermenteerde sojaboon. Is China dan een land van cyborgs met het confucianisme als besturingssysteem 2.0?

Over en weer, aan Chinese en Nederlandse zijde, heersen misverstanden. Wat de Nederlander ervaart als indirectheid is voor de Chinees een vorm van harmonie: gevoelens gooi je niet op tafel als je daarmee de ander in verlegenheid brengt of erger, gezicht laat verliezen. De strakke tafelzitting tijdens vergaderingen en de afgemeten adressering van elkaar als meester, directeur, en divisiehoofd zus en zo; in Nederland,waar men tutoyeert vanaf uur nul, doet het aan als een keurslijf van sociale hiërarchie. Voor de Chinees is het een teken van respect. In de opvoeding besteedt de Nederlander veel aandacht aan zelfontplooiing. Een Chinees ziet een klas vol ravottende, Hollandse kinderen als een gebrek aan zelfbeheersing.

Politici zijn bezorgd over de erosie van de Chinese cultuur door de oprukkende ‘verwesterlijking’. Maar het toenemend individualisme, materialisme, en mercantilisme blijft in China een sterk collectieve beleving bestaan. Noem het de psyche van China, een confucianistische culturele pit, of het Chinese AXE-effect. Zelfs de grootste cultuurcriticus is stekeblind als hij niet de schim van Confucius ontwaart, die nu nog over het dagelijks leven van de Chinees hangt.

Door de vrije, autonome burger, die immer zijn rechten eist, is onze democratie geworden tot wat zij is. In Nederland hoeft de politiek de burger niet op te roepen tot een debat over normen en waarden, dat bepaalt hij zelf wel. Tegen deze achtergrond lijkt het confucianisme met zijn collectivistische inslag eerder een obstakel voor ontwikkeling, dan een stimulans. We zeggen het niet, maar denken: de doorsnee Chinees of “Wang met de pet” is vast niet goed snik dat hij zich door het confucianisme laat ringeloren. Maar is dat wel zo?

In Nederland is het verkeer strak gereguleerd door een overvloed aan stoplichten, verkeersborden, en gescheiden fietspaden. Snijdt iemand je de weg af, dan scheld je hem verrot; bij een bumperklever trap je op de rem; en rijdt er eentje over de vluchtstrook, dan gooi je het autoportier open. In China lijkt wet noch regel het verkeer te leiden. Als in een woeste mierenhoop rent, rijdt, en fietst iedereen kriskras door elkaar. Tot op de milimeter nauwkeurig haalt men halsbrekende toeren uit, maar vrijwel zonder ongelukken. Mensen snijden elkaar continu de pas af, bumperkleven bij het leven, en gebruiken de vluchtstrook als inhaalstrook. Er wordt niet gefoeterd of met opgeheven middelvingers gewerkt, maar men houdt eenvoudig rekening met elkaar. De oude Confucius zou het niet leuk vinden, maar zijn hedendaagse invloed laat zich misschien het meeste gelden in het Chinese verkeer.

Nederland kan er prat op gaan de kandidatuur voor de Olympische Spelen eens succesvol te hebben getorpedeerd. Bij monde van het Amsterdams ‘Comité Olympische Spelen Nee’ werden IOC- leden overladen met pek en veren, en de Spelen geridiculiseerd als kapitalistische verspilling. Toen China zich kandidaat stelde, verfde men het gras zodat de anders droge gazons van Peking extra groen oogden. De dag dat de Spelen werden toegewezen, sprong de natie een gat in de lucht, omdat ‘na anderhalve eeuw door het Westen met de nek te zijn aangekeken sinds de Opiumoorlog, er eindelijk internationale erkenning is’. Er zijn twee elementen uit deze reactie te distilleren. Eén, het binnenhalen van de Spelen wordt direct verbonden met de historie. Twee, de Spelen worden door de Chinezen sterk beleefd als een gemeenschappelijk doel waaraan iedereen een steentje bijdraagt.

De verbintenis van de Spelen met de idee van een gezamenlijk China – één natie, één historie, en één belang – doet denken aan een post-modernistische constructie, een culturele hersenschim, of een product van de communistische propaganda. Maar de Communistische Partij zou er niet in zijn geslaagd de Spelen succesvol aan een idee te koppelen, als dit niet op de een of andere manier al onder de Chinezen leefde. In die zin appelleerden de Chinese autoriteiten eerder aan een collectief idee, dan dat ze dit actief vormden. Het verschil tussen Nederland en China in de beleving van de Spelen zegt wellicht zoveel over Nederland, als het over China zegt: het raakt de ziel van de natie.

Peter Ho is hoogleraar-directeur van Centre for Development Studies aan de Universiteit Groningen. Hij schreef ‘China’s Embedded Activism’ (Routledge), ‘China’s Limits to Growth’ (Oxford Blackwell), ‘Dat is Chinees voor mij’ (De Geus).