De grote sprong voorwaarts

China hunkert naar sportief succes. Aan mentaliteit ontbreekt het niet. Zelfopoffering en discipline liggen verankerd in de volksaard. Voor een groeispurt is méér nodig. Het Chinese sportmodel is aan revisie toe.

Sportsociologe Dong Jinxia ziet er niet bepaald sportief uit.De vermaarde sportprofessor van begin vijftig gaat gekleed in een enkellange geruite rok boven versleten schoenen en korte vleeskleurige pantysokjes. Toch is ze zelf ex-atlete en doet ze al jaren onderzoek naar de historie en achtergronden van de Chinese sport. Waarom Chinezen niet kunnen voetballen?

Ze heeft er wel een mening over.

In de stampvolle mensa van de leerkrachten op de campus van de Pekinguniversiteit legt ze uit: „Chinezen blinken vooral uit in sporten waar techniek en denkwerk doorslaggevende factoren zijn. Maar voetballen? Nee, Chinese mannen zijn niet agressief genoeg. Het zijn stuk voor stuk watjes.”

Volgens Dong is dat niet de enige reden. Ze denkt ook dat de volksaard ongeschikt is voor het beoefenen van teamsport. ,,China is een collectivistisch land, maar in de kern zijn Chinezen heel individualistisch ingesteld.”

Vooral in contactsporten zijn de Chinezen volgens de professor terughoudend en onwennig. Met uitzondering van het Chinese vrouwenvolleybalteam dat de wereldtitel veroverde door aartsvijand Japan te verslaan, boekte China zelden grote teamprestaties.

Dong heeft ook daar een verklaring voor. ,,China kampt met de gevolgen van de één-kindpolitiek. Er staan bij voetbal elf zelfzuchtige keizertjes op het veld die niet gewend zijn naar elkaar te luisteren en een ander iets te gunnen.”

Atletiekcoach Jing Xuezhu van het Pekingteam vindt haar pupillen bepaald niet verwend en egoïstisch.

De rijzige atletiekcoach is voormalig nationaal kampioen hoogspringen en sloot vier jaar geleden toen ze terugkwam van de Olympische Spelen in Athene haar sportcarrière af. Nu geeft ze in hoogzwangere toestand training aan atleten in het sportcentrum Xiannongtan in het westen van Peking. Op de baan wordt heel wat afgezweet door twee pezige lopers. Het is ook geen weer om te rennen. Bijna veertig graden en de vochtigheid van een regenwoud. Maar hitte lijkt niet de grootste handicap van de sporters. Daar zijn ze inmiddels wel aan gewend geraakt. Wijzend op haar atleten: ,,De meeste atleten zijn afkomstig van het platteland, dus aan mentaliteit ontbreekt het hun niet.”

Jing zegt dat het probleem niet ligt op het mentale vlak. Nee, het zijn vooral de fysieke beperkingen die de Chinese atleten nog niet in staat stelt om te excelleren.

,,Over het algemeen hebben Chinezen korte benen en lange bovenlijven. In aanleg niet geschikt om te lopen. Ik ben trots op mijn pupillen, maar een Liu Xiang zullen ze niet worden. Hij is een uitzondering. Een talent dat in China eens in de duizend jaar opstaat.”

Jing doelt op de man die in Athene Olympisch kampioen werd op de 110 meter horden. China’s meest beroemde sportman is in Peking niet alleen de trots van volk en vaderland, hij sprint ook voor Nike, Visa, Cola, Koreaanse auto’s, Chinese computers en zuivelproducten. De ideale schoonzoon krijgt dagelijks stapels liefdesbrieven, ouders vernoemen hun kinderen naar hem en als hij in augustus de finale van de 110 meter horden loopt, komen tienduizenden mensen alleen voor hem naar het stadion.

Maar tot zijn grote frustratie heeft China naast Liu Xiang, basketballer Yao Ming en recentelijk tennisster Zeng Jie nooit sportkampioenen gekweekt wier namen over de grens bekend zijn.

Hoewel accountantsbureau PriceWaterhouseCoopers heeft voorspeld dat China verreweg de meeste medailles gaat halen, onderstreepte minister van Sportzaken en voorzitter van het Chinese Olympische Comité Liu Peng onlangs dan ook dat China nog ver achter ligt op grote sportnaties als de Verenigde Staten en Rusland.

Atletiekcoach Jing is het daar mee eens. ,,China mag tijdens de Spelen in Athene dan wel de tweede plek op de medailleranglijst hebben veroverd, we beschouwen onszelf nog lang niet als een sportnatie. Zonder topzwemmers, baanatleten, team- en watersporters kunnen we nog niet echt concurreren met de grote sportlanden."

Sport moest China in de laatste twee decennia van de vorige eeuw bijna per decreet naar de top van de wereldhiërarchie loodsen. Het land hongerde naar medailles, zonder strategie, zonder richting. Ook de prijs die voor de prestaties betaald moest worden was ondergeschikt aan de ambities van de staat.

In de tijd van Mao lag dat nog anders. Topsport was niet belangrijk. Er moest aan sport worden gedaan om de gezondheid van het volk te bevorderen, de productiviteit te verhogen en het land te beschermen. Het beeld van ‘De zieke man van Azië’ was zo'n obsessie voor de Grote Roerganger dat hij letterlijk wilde laten zien dat China een sterke en gezonde natie was. Zijn opvolger Deng Xiaoping draaide de rollen om: er moest op topniveau worden gepresteerd door individuen.

De jacht op goud, ter verheffing van de natie, werd zó obsessief dat de schrijver Zhao Yu zich in 1980 afvroeg of het land verstandig bezig was. Volgens Zhao werd er zoveel geld in topsport gepompt dat de algemene gezondheid van het volk eronder leed.

In de jaren negentig probeerde China zijn achterstand in topsport in te halen door het gebruik van doping bij de trainingen, net als destijds de DDR. Chinezen verpulverden wereldrecords in zwemmen en atletiek. Zelf schreven de autoriteiten die onwaarschijnlijke opmars toe aan spartaanse trainingen in combinatie met wondervoedsel als schildpadsoep, hertengeweien en ezelsbloed. De vermoedens dat er doping werd gebruikt waren talrijk, maar er waren geen bewijzen. Totdat in 1992, na de Aziatische Spelen, een vliegende dopingbrigade van het IOC negen Chinese zwemsters op het vliegveld van Hiroshima betrapte op het gebruik van hormoonpreparaten.

Na Hiroshima bleef het stil rondom de Chinese zwemmers en atleten omdat, zo wilde het gerucht, er werd gezocht naar nieuwe dopingmethoden. Maar nadat China in 2001 de Spelen kreeg toebedeeld, werd duidelijk dat het gastland zich geen schandalen meer kon veroorloven.

Sinds de toewijzing van de Spelen vaart het land een andere koers. Met de slogan ‘krachten bundelen voor de natie’ (‘quan guo yi pan qi’) hebben de provinciale sportteams de opdracht gekregen zich vooral te concentreren op de sporten waarin internationaal succes te behalen valt. Nog altijd is de balans zoek. Van de 28 gouden plakken die de Chinese sporters wonnen op de Spelen van Sydney in 2000, werden er 21 behaald met tafeltennis, badminton, gewichtheffen en turnen. Maar in de disciplines waar het meeste goud te halen is – atletiek, zwemmen, roeien en kano – pakten de Chinezen van de 119 gouden plakken er slechts één. En in Athene, vier jaar later, waren dat er maar drie. Die 119 gouden plakken vormen de horizon van het nationale sportbeleid. In 2010 moet China in de ‘grote’ sporten kunnen wedijveren met sportlanden als de VS, Rusland en Australië. In 2001 ontrolde het Chinees olympisch comité alle ambities in ‘Plan 119’. Een soort Grote Sprong Voorwaarts, zoals Mao ooit zijn vijfjarenplan doopte.

Nu worstelt het land met de vraag hoe het een grote sportnatie kan worden. Sport is nog een van de weinige sectoren waar de staat almachtig is. Geïnspireerd door de strenge planmatigheid van de Sovjet-Unie ontwikkelde Jiang Qing, de vrouw van Mao Zedong, in de jaren vijftig een topsportmodel dat nog altijd actueel is. Kinderen worden op de kleuterschool geselecteerd op talent en lichaamsbouw. Ze worden in korte tijd klaargestoomd voor speciale sportscholen waar het gewone onderwijs nagenoeg van het rooster is geschrapt. Deze kinderen van vijf tot en met elf worden bij hun ouders weggehaald en trainen dagelijks op de speciale scholen zeven uur. Uit de leerlingen van deze speciale sportscholen worden de besten geselecteerd voor het provincieteam en het nationale jeugdteam, de twee voorportalen van het nationale team in Peking.

De topspelers van de provincieteams mogen deelnemen aan China’s grootste vierjaarlijkse sportevenement: de Nationale Spelen. Met een eerste plaats bij dit evenement plaats je je voor het nationale team. Sommige provincies loven voor een nationale titel zelfs bonussen uit van circa 15.000 euro; honderd keer zo veel als de maandelijkse vergoeding voor de provinciale teams. De hoogte van het maandloon voor internationals varieert van 200 tot 500 euro per maand. Ze hebben ook lucratieve sponsorcontracten, mogen optreden in televisiereclames en zijn voor Chinese begrippen superrijk.

Ondanks al die verworven vrijheden heeft de staat de sporters nog altijd stevig onder controle. Zo werd tafeltennisser Ma Lin geschorst omdat hij na een verliespartij een stoel omver schopte. Hij werd zelfs gekapitteld door zijn collega-sporters. Hij moest zich toch realiseren dat zijn leven zo slecht niet was in vergelijking met boeren op het platteland of migrantenarbeiders in de steden. Rijke sportsterren moeten een voorbeeldfunctie vervullen. Door sport kun je je droom waarmaken en rijk worden.

Het grote geld veroorzaakt inmiddels scheuren in het Chinese sportmodel. De oud-coach van het Pekingse tafeltennisteam Liu Zichu vindt dat er, net als in de gezondheidszorg en in het onderwijs, geen sprake meer is van gelijke kansen voor iedereen. „Vroeger kregen mijn spelers vijf euro salaris. Gezien de toenmalige levensstandaard een redelijk goed inkomen. Ook hoefde je niet te betalen voor voedsel en kleding. Nu moeten de sporters de eerste jaren zelf betalen en pas wanneer ze bij de eerste zestien van het provincieteam behoren, gaan ze iets verdienen. Dat is een grote gok voor armlastige ouders die in het verleden bereid waren sport als middel te gebruiken om uit de armoede te geraken”, aldus Liu, die zelf 25 jaar op de campus van het team van Peking verbleef en zich alleen in het weekend bij haar gezin voegde.

Liu denkt dat de staat na de Spelen geleidelijk zal plaatsmaken voor de markt. In het basketbal, volleybal en tafeltennis worden al sinds een jaar of acht clubcompetities georganiseerd waarin bedrijven enorme geldbedragen pompen. De basketbalcompetitie neemt door de successen van Yao Ming de leiding. Het Zwitserse marketingbedrijf Infront investeert daar fors in, terwijl het Amerikaanse merk Nike het schoolbasketbal ondersteunt.

Tot nu toe ontbreekt het de meeste clubs aan een goede organisatie. En zijn spelers nog altijd ‘eigendom’ van de staat. In 1996, na de Spelen van Atlanta, kwamen de autoriteiten met een reclameregeling voor topsporters op de proppen. Artikel 1 luidde: ‘De sporters zijn door de staat opgeleid. De staat heeft recht op minstens 30 procent van hun neveninkomsten.’ Waar topsporters vroeger 60 tot 70 procent van hun in het buitenland verdiende prijzengeld moesten afstaan, mogen ze nu minstens de helft opstrijken. 20 procent gaat naar degenen die bijdragen aan het succes: coach, trainer, kok. De staat krijgt 30 procent en stopt dat geld in een speciaal fonds voor talentontwikkeling.

De nationale sportbond heeft uitgerekend dat de opleiding van een olympische kampioen ongeveer 75 miljoen euro kost. Het geld dat jaarlijks aan massasport wordt besteed staat daarbij nog altijd in schril contrast. Uit een onderzoek van de nationale sportbond bleek dat in 2001 eenderde van de bevolking meer dan tweemaal per week sport. In het jaar 2010 moet dat ten minste tweederde van de bevolking zijn.

Volgens Fan Zhijun, hoofd van de overkoepelende nationale sportbond in Peking, steekt China pas de laatste tien jaar geld in massasport. „Sinds de oprichting van de sportloterij in 1998 is 250 miljoen euro aangewend voor de ontwikkeling van breedtesport. We moeten naar een tweesporenbeleid. Een heel fit volk bespaart op medische kosten en die fitheid en affiniteit met sport hebben ook hun weerslag op topsport. China is er ook aan toe. Steeds meer mensen hebben aandacht voor vrijetijdsbesteding”, aldus Fan.

Juist de massasport moet de sportnatie een groeispurt geven, zeggen de experts. En daar moet de overheid in investeren. Atletiekcoach Jing. „In de provincie zijn geen speren, kogels of horden en zeker geen goede atletiekbanen, zwembaden of voetbalvelden voorhanden.”

Volgens sportsociologe Dong duurt het nog een tijd voordat sport echt is geïntegreerd in de samenleving en China zich dus in alle opzichten een sportnatie kan noemen. Dong: „Bij recreatiesporten dacht de Chinees toch meer in de richting van traditionele sporten als wushu of qigong. Moderne sporten zaten tot voor kort nog niet in het systeem van de gewone man. Met uitzondering van de superrijken kunnen Chinezen nog altijd niet naar een tennis- of atletiekclub. Behalve op sommige scholen en in parken kunnen ook kinderen nergens terecht.”

Volgens Dong streeft China naar een Amerikaans model waarbij privéclubs en school- en universiteitsteams worden aangemoedigd. De bouw van olympische stadions en trainingslocaties – op scholen en universiteiten – kunnen voor een enorme impuls zorgen. Of China tijdens de Spelen kan wedijveren met grote sportlanden als de VS, Rusland en Australië is volgens Dong allesbepalend voor de toekomst. Dong: „Als Plan 119 veel gouden medailles oplevert en de Spelen zonder ongeregeldheden verlopen, is de kans groot dat de Chinese sportwereld zich verder opent. Worden de Spelen geen succes, dan stagneren de ontwikkelingen en zullen de autoriteiten vasthouden aan het oude staatsmodel.”