De blonde buurvrouw

Een jonge vrouw op zoek naar een passende functie, werkt om in haar levensonderhoud te voorzien, tijdelijk als werkster voor een thuiszorginstelling. Eerste deel van een korte serie.

Dat is vreemd. Ik moet bij een zekere meneer Haantjes zijn, maar een wulpse vrouw met hoogblond haar opent de deur, ze kan niet ouder zijn dan zestig. „Meneer wordt nog aangekleed door de wijkverpleging”, beantwoordt ze mijn twijfelende blik. Ze gaat me voor en wijst me routineus de stofzuiger en schoonmaakmiddelen. Dit huis is haar duidelijk vertrouwd. Misschien is meneer Haantjes helemaal niet bejaard en alleenstaand, zoals ik me heb voorgesteld.

We gaan eerst koffiedrinken, zegt de blonde vrouw, terwijl ze energiek de keuken inloopt. Ik neem plaats op de bank. De zitkamer is ruim en zonnig en smaakvol gemeubileerd. Er staat een groot boeket verse bloemen en op tafel zie ik het programmaboekje van het Concertgebouw liggen. Hier wordt geleefd.

„Wat een mooie kamer”, zeg ik, als de vrouw terugkomt.

„Nou hè. Meneer klaagt altijd dat hij deze aanleunwoning te klein vindt, maar ik vind het best meevallen. Ik heb hem geholpen het een beetje gezellig te maken.” Dit is dus een aanleunwoning. Dan moet meneer Haantjes toch oud zijn. Ouder dan deze blonde dame in elk geval.

Achter me hoor ik de deur opengaan. Steunend op de arm van de wijkverpleegster komt meneer Haantjes de zitkamer binnen. Hij loopt voorovergebogen en zijn handen trillen. Zijn haar, dat als een dun vloeipapiertje over zijn glanzende schedel zweeft, is spierwit en in zijn gezicht zie ik pigmentvlekken. Zodra hij mij in het vizier krijgt, houdt hij zijn pas in en lacht. „Ah, nog zo’n mooie vrouw.” Zijn stem kraakt, maar de zuidelijke zachte g is vertederend. De verpleegster helpt hem voorzichtig in zijn stoel, naast de blonde vrouw. Tevreden kijkt hij naar de krans van dames om hem heen.

„Bennie, wil je een lekker kopje koffie?” vraagt de blonde vrouw, terwijl ze over zijn hoofd aait. Haar stem klinkt vleiend. Steels geeft hij haar een kneepje in haar wang. Ja, dat wil Haantjes wel. Er zit iets vanzelfsprekends in de manier waarop hij zich de aandacht laat welgevallen.

De wijkverpleegster legt aan de blonde vrouw uit hoe zij ’s avonds het kompres op de wond van meneer Haantjes moet verschonen. De vrouw zegt dat ze dat zal doen als hij in bed ligt. Dat is het handigst. Zo doet ze het nu al een jaar. Sinds hij bij haar om de hoek is komen wonen.

Meneer Haantjes heeft een tweepersoonsbed, zie ik later, wanneer ik de slaapkamer stof. Ik acht hem niet in staat tot iets anders dan slapen, maar blijkbaar heeft de blonde vrouw genoeg aan een goed gesprek. Gezellig, zo’n blonde buurvrouw, denk ik, terwijl ik het bed gladstrijk. Geen wonder dat meneer Haantjes zo tevreden kijkt.

Op de foto staat meneer Haantjes in een mosgroene jas, in zijn rechterhand een geweer en naast hem een cockerspaniël die vragend naar hem opkijkt. Achter hen, badend in het zonlicht en omzoomd door reusachtige eiken, ligt een statig, uit witte stenen opgetrokken landhuis. Aan weerszijden van de hoge vensters, ik tel er tien, hangen donkergroene luiken. De dubbele voordeur staat uitnodigend open. Nu pas realiseer ik me dat de blonde vrouw de kompressen niet alleen uit vertedering verschoont.