Courgette met rode wangen

Elk courgetteschijfje moet vertroeteld. En fijn beraspt.

De mannen gingen drukken, nee, ze gingen zetten. Zetten en drukken luistert allemaal heel nauw, het woord ‘nauwgezet’ komt uit die branche: nauw gezet, dicht tegen elkaar aan, met weinig overtollig wit. Alles en alles komt er op aan als je iets mooi wilt zetten en vervolgens drukken: het lettertype natuurlijk, de lettergrootte, het wit tussen de regels, het wit tussen de woorden, de plaatsing van de tekst op de pagina, de verhouding tussen de boven- en ondermarge, de rechter- en de linkermarge.

Soms zit er stiekem een lettertje van een ander corps in de letterbak. Soms is een letter een heel klein beetje beschadigd. Soms zet je hem op zijn kop of wipt-ie geheimzinnig naar boven, enfin, het is pielen en priegelen en opletten en proefjes maken en verbeteren en schone handen hebben terwijl overal drukinkt dreigt.

Ik zou koken. Een heel wat minder priegelig werkje, meer geschikt voor sloddervossen. En ik greep met welbehagen in het gehakt dat met rijst en dille gemengd ging worden voor de zachtjes gestoofde Griekse gehaktballetjes waarvan ik het stoofvocht straks met ei en citroen tot een lichtgebonden saus ging maken, ook met dille. Een paar stevige opperdoezen erbij, die je lekker door die saus kon halen en gebakken courgette, mooie ranke nog jonge courgettes.

„Wat heb ik het makkelijk”, neuriede ik zachtjes terwijl ik de opperdoezen boende en de mannen in de zetterij zag staan prutsen, waar de meester de gezel uitlegde hoe je dat nu eigenlijk doet, een stuk tekst centreren. Ik sneed courgetteplakjes, braadde mijn balletjes aan, gooide er water bij, zette een pan op het vuur met wat olie en begon te bakken.

Waarom dacht ik eigenlijk dat dat zo makkelijk was? Courgetteplakjes zijn vooral lekker als ze niet te lang gebakken zijn en te slap en te kledderig geworden, maar ze moeten ook niet te kort en te hard gebakken zijn. Ze moeten op de juiste dikte gesneden zijn, niet te dun zodat ze droog worden, niet te dik zodat ze van binnen hard blijven, liefst allemaal van gelijke dikte maar dat lukt nooit helemaal en dan goed gebakken, dat wil zeggen: naast elkaar, elk plakje in eigen contact met de hete pan waarin een beetje olie ligt. Elk plakje bestoven met peper en zout. Elke plakje lichtbruin, niet donkerbruin. Elk plakje op zijn of haar eigen tijd omgekeerd. En daarna op een schaal. En dan de volgende lading. En dan de volgende. En dan de volgende. En dan de volgende. En dan de volgende.

Met steeds rodere wangen en steeds minder tijdsbesef draaide ik elk courgetteschijfje om, vertroetelde het naar eigen behoefte, vleide het op de schaal waar elke laag uiterst fijn beraspt werd met citroenschil en minstens zo fijn gesneden munt.

De mannen kwamen af en toe een proefje laten zien van het gedicht waar allerlei rare fouten in konden sluipen. Ik zag een letter die uit de regel hupste, een ander zag een letter op zijn kop staan, heel langzaam vulde zich de schaal courgetteplakjes.

De mannen hadden perfect zetsel tegen de tijd dat mijn courgetteplakjes ook eindelijk een perfect geheel vormden. De zetters zagen er monterder uit dan de knalrode kok.

De volgende keer ga ik zelf willen zetten. Dat lijkt me ontspannend werk. Gewoon rustig letters in de zethaak doen – niets dat begint te sissen, te verkleuren, als enige plakje hardnekkig weigert een kleur te krijgen, van je spatel valt of anderszins onverwacht bokkig is.

En dan praten we nog niet over het binden van hete saus met ei, zonder daarbij klontjes te veroorzaken en zonder de gehaktballetjes kapot te roeren.

Een kok, die moet nauwgezet zijn.