‘Amerika, hou op de markt te verstoren’

Terwijl de katoenprijs stijgt, kampen West-Afrikaanse boeren met hoge productiekosten. De federatie van katoenboeren in Ivoorkust pleit voor een eerlijke, open markt.

De prijs van katoen op de wereldmarkt stijgt, maar de Afrikaanse katoenboer verdient steeds minder.

Suleyman Soro, die al zijn hele leven katoen teelt in het noorden van Ivoorkust, zou dat nou wel eens uitgelegd willen krijgen. De radio vertelt het hem niet, want die is kapot. Een nieuwe kan hij niet kopen, want daarvoor moet hij naar de grote stad. En zijn fiets is ook kapot. „We zitten net tussen twee oogsten in,” roept Soro verontschuldigend in een geleende mobiele telefoon. „Bijna niemand in ons dorp heeft contant geld.”

De droge Sahellanden Burkina Faso en Mali vormen samen met Ivoorkust de grootste katoenproducenten van West Afrika en zijn samen verantwoordelijk voor de helft van de Afrikaanse productie. Daarnaast groeit katoen vooral in Benin, Togo, Tsjaad, Senegal en Kameroen, doorgaans in de droogste en armste gebieden waar bijna niets anders groeit. De Wereldbank heeft berekend dat katoen goed is voor 5 tot 8 procent van het bruto binnenlands product van West Afrika. Volgens een zeer ruwe schatting verdienen minstens tien miljoen mensen er hun brood mee.

Leed de Afrikaanse katoenindustrie al onder Amerikaanse en Europese subsidies, het afgelopen jaar zijn daar nog twee problemen bijgekomen: de zwakke dollar en de hoge olieprijs. Katoen wordt verhandeld in dollars.

Katoenboeren in de Franstalige landen – Frankrijk introduceerde de plant in haar toenmalige kolonies – krijgen betaald in francs CFA, een munt die gekoppeld is aan de euro. Tegelijkertijd stijgen de prijzen van voedsel, kunstmest, transport. Concreet houdt dat in dat de katoenboeren nu veel minder verdienen dan tien jaar geleden – sommigen draaien nog maar een derde van de winst die ze vroeger kregen.

Nicolas N’Guetta is voorzitter van InterCoton, de federatie van katoenboeren en fabrikanten in Ivoorkust. Hij vindt dat het dringend tijd wordt dat de rijke landen de subsidies aan hun eigen katoenboeren afschaffen.

Het leek eindelijk beter te gaan met de prijs, maar nu krijgt u weer te maken met een zwakke dollar. Is er eigenlijk wel voldoende overleg tussen katoenproducerende landen onderling om alle problemen het hoofd te bieden?

„Ja, onze boeren krijgen dit seizoen een veel betere kiloprijs dan de afgelopen jaren. In Ivoorkust kunnen we nu 185 francs per kilo betalen, vergeleken met 150 francs vorig jaar. In Mali krijgt de boer 200 francs en in Benin ligt het zelfs op 210 francs. Dat is het goede nieuws.”

„Het slechte nieuws is dat de prijs van kunstmest enorm is gestegen doordat olie steeds duurder wordt. Dat maakt de productiekosten voor boeren bijna onaanvaardbaar hoog. Het is een probleem waar we op regionaal niveau een antwoord op zullen moeten vinden, want als individueel land kun je dat niet oplossen.”

„We hebben vorige maand overlegd over de mogelijkheden om regionaal kunstmest te produceren. In Ivoorkust heeft de regering besloten kunstmest te subsidiëren, maar dat besluit werd pas in juni aangekondigd. Toen was het voor veel boeren te laat om nog te zaaien. ”

De West Afrikaanse katoenlanden maken zich sterk tegen subsidies in rijke landen, maar tegelijkertijd is de sector niet erg concurrerend en moet de overheid vaak bijspringen. Is het een optie boeren te leren andere gewassen te verbouwen?

„Een groot deel van de bevolking in West-Afrika is afhankelijk van katoen, maar katoen dient ook als een soort springplank voor voedingsgewassen. De katoenfabrieken geven de boer kunstmest op krediet, en een deel daarvan gebruikt hij om voedselgewassen te verbouwen: rijst, maïs, tomaten, pinda’s. Die gewassen gaan hand in hand met katoen en zorgen ervoor dat de bevolking in de armste, droogste streken toch genoeg te eten heeft. Voedselzekerheid, inderdaad. Al zouden we het willen, we kunnen dit systeem niet zomaar omgooien. Die mensen doen dit al hun hele leven en kunnen vaak niet anders.”

De subsidies die de rijke westerse landen aan de eigen katoenindustrie geven, zijn niet het enige probleem van de Afrikaanse katoenboer. Waarom wordt daar dan toch steeds op gehamerd?

„We zijn een paar jaar geleden naar de Verenigde Staten gegaan en daar hebben we gepraat met allerlei mensen. Amerika zegt: onze katoenboeren kunnen het niet in hun eentje, zij hebben steun nodig, dus die krijgen ze van ons. Kijk, dat snappen wij ook wel. Maar het punt is dat wij onze boeren geen alternatief kunnen bieden. Zij wel.”

„De productiekosten van een kilo katoen liggen inmiddels op 211 frank. De boer krijgt 185 frank per kilo. Help je de boer niet, dan kan hij net zo goed ophouden. We kunnen geen invloed uitoefenen op de olieprijs, maar we kunnen rijke landen als de Verenigde Staten wel vragen op te houden de markt te verstoren. Daarom zeggen wij: stop met die subsidies, dan gaat de prijs tenminste omhoog.”