Allemaal de dupe

In de Servische Republiek in Bosnië wonen oorlogsmisdadigers en hun slachtoffers dicht op elkaar. Politici proberen de etnische haat in stand te houden, maar de nieuwe, ondernemende generatie heeft daar lak aan.

‘De Tiende Cirkel’ is de titel van het boek dat Rezak Hukanovic wijdde aan zijn ervaringen in de Bosnische kampen. „In Dantes hel zijn er negen cirkels van het kwaad”, zegt Hukanovic. „Radovan Karadzic heeft daar een cirkel aan toegevoegd.”

Alle denkbare gruwelen komen in zijn boek aan bod. Hoe Serviërs de kelen van moslimgevangenen doorsnijden. Ouderen die bezwijken na weken lang niets te hebben gegeten. Lijken die dagen lang liggen weg te rotten op het veld tussen de barakken. De dronken megalomanie waaraan kampbewaarders ten prooi vallen.

In de zomer van 1992, bij het begin van de oorlog in Bosnië, zat Hukanovic ruim twee maanden gevangen in het kamp bij Omarska. Sommige van de Servische bewakers kende hij van naam en gezicht. „Voormalige buurtgenoten, ex-klasgenoten en kennissen die zich plots hadden bekeerd tot Radovan, de maniakale, charismatische leider.”

Eén van de bekeerlingen was Milojica Kos. In zijn huis aan de rand van het mijnstadje Omarska aait hij zijn driejarige zoon over de bol. Hij is weer ‘family man’, sinds hij in 2002 zijn cel in Scheveningen mocht verlaten. Kos, bijgenaamd ‘Krle’, behoorde tot de beruchte Omarska-groep van Bosnisch-Servische oorlogsmisdadigers die door het Joegoslavië-tribunaal forse straffen kregen opgelegd. Wegens goed gedrag kwam Krle na vier jaar vervroegd vrij. „Ik had in mijn jonge jaren als ober in Wenen goed geld gemaakt en keerde daarmee terug naar Omarska, om er een huis te bouwen en een gezin te stichten. Dat is de grootste fout in mijn leven gebleken. Snel daarna brak de oorlog uit.”

Krle, toen 27, werd aangesteld als bewaker in Omarska. Achteraf zijn er legio excuses. „Wij Serviërs leven in deze regio al decennia met angst. Minder dan honderd kilometer verderop ligt Jasenovac, het vernietigingskamp waar de Kroatische Ustasa in de Tweede Wereldoorlog Serviërs hebben uitgemoord. Dat zijn we niet vergeten. In 1992, was er de angst voor het onafhankelijkheidsstreven van de moslims. Wat had ik moeten doen? Ik was sterk. Trots. Dus neem je de klus aan.”

Zestien jaar later overheerst de schaamte. Krle: „Ik en al die andere jongens zijn genaaid door Karadzic. Wat rest zijn de nachtmerries. In Omarska heb ik de verschrikkelijkste dingen gezien.”

De slapeloze nachten van mannen als Hukanovic en Kos behoren tot de erfenis van de deze week gearresteerde Radovan Karadzic, de voormalige leider van de Bosnische Serviërs. Karadzic’ nalatenschap in het groot: een getraumatiseerd Bosnië, waar oorlogsmisdadigers en hun slachtoffers dicht op elkaar zitten. Hukanovic en Kos, die slechts een paar kilometer van elkaar vandaan wonen, hebben elkaar nooit meer gezien. Gaat ook niet gebeuren, zeggen ze allebei. Kan niet meer. Hoeft niet meer.

In het huidige Bosnië, ooit een tolerante meervolkeren-deelstaat in de Joegoslavische federatie, zijn na de oorlog etnische lijnen getrokken. Een verscheurd land van haatdragende moslims. Van Serviërs die hun angst overschreeuwen met nationalistisch gebral. En van Kroaten die zich permanent benadeeld voelen.

Bosnië is ook het Bosnië van de media die het archiefmateriaal klaar hebben liggen zodra er weer iets wordt herdacht. Srebrenica tien jaar na dato. Sarajevo elf jaar na het beleg. Srebrenica twaalf jaar na dato.

Deze week kwam daar een mediaspektakel bij: de ontmaskering van het ‘monster’ Karadzic.

In Bosnië heeft iedereen begrip voor de obsessieve aandacht – want het wás een spektakel van formaat – en allemaal hebben ze op de pleinen van Sarajevo de buitenlandse media netjes te woord gestaan.

„Is het niet een enorme opluchting, nu de moordenaar van uw ouders is opgepakt?”

Ja, het is een enorme opluchting. Vanzelfsprekend.

„Maar er heeft nog niemand aan mij gevraagd hoe het met ons Bosniërs nú gaat”, zegt Edin Mehic, een jonge ondernemer uit Sarajevo. „Ik was de oorlog al een beetje aan het vergeten, maar je krijgt er de kans bijna niet voor.”

In 1995 kwam er met het Dayton-vredesakkoord een einde aan een oorlog die aan honderdduizenden het leven kostte. Bosnië werd bestuurlijk opgedeeld in een moslim-Kroatische federatie, met hoofdstad Sarajevo, en een Servische Republiek waarvan de regering zetelt in Banja Luka. In Sarajevo zetelt nog een federaal driemanspresidentschap, bestaande uit een moslim, Serviër en Kroaat. Maar in de praktijk is de invloed van het trio miniem omdat de twee entiteiten vergaande politieke autonomie hebben.

Boven al die bestuurslagen uit torent het gezag van de ‘European Union Special Representative’, de Slowaak Miroslav Lajcak. Hij heeft de bevoegdheid om zelfs ministers te ontslaan. Verder waarborgt de militaire EUFOR-missie Althea de veiligheid en tracht een speciale EU-politiemissie de politiecorpsen in beide entiteiten tot één corps te smeden.

Lajcak ziet toe op de uitvoering van ‘Dayton’, samengevat: constructieve samenwerking tussen Sarajevo en Banja Luka. Hoe moeizaam dat verloopt bleek bij de laatste verkiezingen in september 2006. Haris Siladzjic, de populairste politicus onder de Bosnische moslims, voerde campagne onder de leus ‘100 procent Bosnië-Herzegovina’. Door zijn tegenstrevers in Banja Luka kon dat maar op één manier worden uitgelegd: de moslims willen de volledige macht, ten koste van de Servische Republiek. Milorad Dodik, premier van de Republiek, gooide olie op het vuur met dreigementen over mogelijke afscheiding. In de dagen na de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo, op 17 februari, gingen opnieuw stemmen op: wat de Albanezen in Kosovo kunnen, dat kunnen wij Serviërs in Bosnië ook.

„Dit is het politieke spelletje dat hier al jaren wordt gespeeld”, zegt Zeljko Kopanja, hoofdredacteur van dagblad Nezavisne Novine in Banja Luka. „Iedere keer als de Serviërs zich in de verdrukking wanen, dreigen ze met afscheiding.”

In 1995 richtte Kopanja zijn krant op waarin hij vanaf dag één publiceerde over oorlogsmisdaden begaan door Bosnische Serviërs. Het werd Kopanja, zelf een Serviër, niet in dank afgenomen. Op een ochtend in oktober 1999 raakte hij in Banja Luka zwaargewond bij een aanslag. Hij startte zijn auto en een paar seconden later ontplofte een granaat. „In het ziekenhuis verklaarden ze me eerst klinisch dood, maar vervolgens hebben ze me toch nog opgelapt.”

Kopanja verloor beide benen, maar ging al snel weer aan het werk. „Ik ken geen wraakgevoelens”, zegt Kopanja. De daders, nog altijd voortvluchtig, kregen hoogstwaarschijnlijk opdracht van de politiek-economische elite, verbonden met Karadzic. Zij verrijkten zich tijdens en vlak na de oorlog met smokkel in de Servische Republiek.

Volgens Kopanja is de huidige premier Dodik van een geheel ander kaliber, ook al flirtte Dodik de laatste jaren herhaaldelijk met het organiseren van een referendum voor het onafhankelijk worden van de Republiek. Kopanja: „Je moet het zien als een waarschuwing aan politici in Sarajevo: kijk uit, wij laten hier niet over ons heen lopen. Dreigen met afscheiding is een reflex van zelfverdediging.”

In de eerste dagen na de arrestatie van Karadzic hielden de Serviërs in Banja Luka zich opvallend rustig. Voorspellingen van politieke waarnemers, dat ze hun woede zouden uiten over de ‘vernedering van hun held’, bleven uit. Maar donderdagmiddag kwam het in het centrum toch nog tot een botsing. Jongeren uit een moslimwijk van de in meerderheid door Serviërs bewoonde stad vierden voor een café de arrestatie. „Ga in Sarajevo je feestje vieren”, schreeuwden Servische jongeren. Toen de eerste klappen vielen arriveerde de politie die de twee groepen uit elkaar haalde.

Bij onze eerste ontmoeting in Sarajevo, twee jaar geleden, toonde Edin Mehic zich een optimist met een donkere kant. „Bosnië heeft potentie, maar helaas wonen er in Bosnië vier miljoen Bosniërs”, zei hij toen. Mehic, een moslim, was toen net begonnen met zijn vacaturewebsite ‘Posao’, Bosnisch voor ‘Werk’. In de kroeg werd hij uitgelachen door vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap: wat moet je met vacatures in een land zonder werk?

Mehic’ cynische commentaar, toen: „Dit komt uit de mond van goed betaalde krachten van de Verenigde Naties, EU, Wereldbank en noem maar op. Die hebben in al die jaren nog nooit iets voor elkaar kregen.”

Na 1995 investeerde de internationale gemeenschap miljarden in Bosnië. Het wordt, waarschuwden Bosnische economen herhaaldelijk, opgesoupeerd door drie nomenklatoera’s, met ieder hun eigen belangen: moslim-, Servische en Kroatische belangen. Veel geld raakte zoek door corrupt en chaotisch bestuur.

„De meeste Oost-Europese landen hebben tot op heden nóg moeite met hun transitie van communisme naar kapitalisme”, zegt Mehic. „Bosnië moest daar, na een oorlog, in 1995 nog aan beginnen.” De eerste jaren als ondernemer stuitte Mehic, een dertiger, op tegenwerking door de generatie van vijftigers. „Bosnische partijbonzen van voor de oorlog, die na de oorlog de draad weer oppakten. Mensen zonder enig benul van democratie en ondernemerschap.”

Maar hun invloed slinkt. Jongeren laten hun oor minder hangen naar de etnisch geladen fraseologie van politici, zegt Mehic. „Er staat een nieuwe, ondernemende generatie in de startblokken die lak heeft aan etnische lijnen. Eindelijk dringt het besef door dat wij allemáál de dupe zijn. Dat schept een band.”

In de oude wijk Bascarsija in Sarajevo stijgt de geur op van boerek en baklava en wordt vanaf de minaret opgeroepen tot het gebed; in de koffiehuizen staat Weense Sachertorte op de kaart – de restanten van Osmaanse en Habsburgse heerschappij, waaraan Sarajevo nog altijd zijn charme dankt.

Het grootste zakencentrum, dat tijdens het bijna vier jaar durende beleg van de stad door granaten werd vernield, werd door de Koeweitse regering gerestaureerd. Sarajevo heeft de deur wagenwijd opengezet voor moslimfundamentalisten, zeggen Serviërs in Banja Luka.

„Ze zien spoken”, zegt Mehic. „Bedrijven uit de hele wereld vestigen zich nu in Sarajevo. Op onze site staan 1200 vacatures open, en die bedrijven maakt het niet uit of ze een moslim of een Serviër op sollicitatie krijgen. Ze openen kantoren in zowel de Federatie als in de Republiek. Van onze politici moeten we het niet hebben. Alleen met de regels van de commercie kunnen we Bosnië opnieuw uitvinden.”

Het optimisme van Mehic is „aanstekelijk”, vindt Goran Bubic, advocaat in Banja Luka. „Maar Bosnië kan niet vooruit zolang het bestuurlijke gedrocht, dat met het Dayton-akkoord is gebaard, van kracht blijft.” Als grondwettelijk-juridisch expert geniet Bubic veel aanzien. Maar zijn ongezouten kritiek wordt ook gevreesd. Het felst is Bubic over de verspilling. „Met twee entiteitsregeringen, een federale regering en een enorm apparaat aan internationale gezagvoerders zijn in al die jaren miljarden verspild aan bureaucratie. Daarmee hadden we een economie kunnen opbouwen.”

Pas onlangs, op 16 juni, tekende Bosnië met de Europese Unie een stabilisatie- en associatieverdrag (SAA), het zogeheten voorportaal naar EU-toetreding. Bubic: „Bosnië is het laatste land op de Balkan met een SAA. Zelfs Servië ging ons voor. Hoe kan dat, in een land waar een EU-gezant de hoogste baas is?”

Volgens Bubic is de ‘arrogantie’ van het buitenlandse gezag er de oorzaak van dat de Bosniërs dertien jaar na de oorlog de beginselen van democratie niet kennen. „De regels van het spel worden ons opgelegd. Niemand neemt daardoor zelf de verantwoordelijkheid. Dat heeft een oneerlijke samenleving opgeleverd.”

De moslims noemen de Servische Republiek „het product van genocide, opgericht door massamoordenaar Karadzic”. Tegelijk ontkennen veel Serviërs de misdaden die zijn begaan. Het verbaast Bubic niets. „Ook over onze moraal en ethiek heeft de buitenwereld, in dit geval het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag, het laatste woord. Het tribunaal sprak onlangs Naser Oric vrij, een moslimofficier die de vreselijkste oorlogsmisdaden jegens Serviërs op zijn geweten heeft. Verwacht dus niet dat met de arrestatie van Karadzic de Bosnische Serviërs nu hun verleden onder ogen zullen zien. Het versterkt slechts het gevoel van onrechtvaardigheid.”

Boven zijn bureau hangen de foto’s van zijn drie dochters. De oudste, Gorica, studeert rechten in Wenen. „Ik mis haar elke dag, maar ik hoop dat ze niet terugkomt naar dit leugenachtige land.”

Op het kantoor van Zeljko Kopanja, hoofdredacteur van de Bosnisch-Servische krant Nezavisne hangen ook foto’s van kinderen. Twee puberende jongens en een meisje van zeven. Zijn dochter is zijn „laatste grote kado” dat hij kreeg, een jaar na de aanslag op zijn leven. Gehuld in een stoer spijkerjack loopt Kopanja met behulp van krukken door zijn kantoor. „Ik ben een optimist. Ik wens mijn kinderen toe op te groeien in een vredig Bosnië waar moslims, Kroaten en Serviërs samenleven.”

Door zijn verslaggevers wordt hij op handen gedragen, sinds zijn heldhaftige wederopstanding. Interne kritiek wordt niet geuit. Ook niet op het feit dat de krant belangrijke dossiers opzij schuift. Zoals het schandaal rond Transparency International (TI), de internationaal opererende corruptiewaakhond, dat twee weken geleden zijn afdeling in Banja Luka sloot omdat medewerkers worden bedreigd. TI deed onderzoek naar de aanbesteding bij de bouw van het nieuwe regeringsgebouw in Banja Luka waartoe premier Dodik opdracht gaf. Kosten: ruim 100 miljoen euro. De aannemer, volgens TI: een vriend van Dodik. Maar volgens Dodik is het juist een medewerker van TI die leugens verspreidt en zijn invloed misbruikt. De affaire verdient het om breed te worden uitgemeten. Net als de recente aanslag op een ambtenaar van het bureau stadsplanning van de gemeente Banja Luka. Hij luidde de klok over grootschalige corruptie op zijn afdeling. Een autobom maakte in november vorig jaar een einde aan zijn leven. Nezavisne hield het bij een officieel politiebericht.

„Kopanja’s krant is verworden tot een mededelingenblad van de regering in de Servische Republiek”', zegt Rezak Hukanovic. „Onafhankelijke media in Bosnië bestaan niet.”

Na het schrijven van zijn boek ‘De Tiende Cirkel’ startte hij in 1998 zijn eigen televisiestation NTV 101 in Noord-Bosnië. Met bereik in de moslim-Kroatische federatie én de Servische Republiek. „We proberen neutraal te berichten, met banale reacties als gevolg: in de ogen van Serviërs maken wij moslim-tv, volgens de moslims zijn we een chetnik-station.”

Na zijn twee maanden in het Omarska-kamp, in 1992, werd hij op transport gezet naar een ander kamp waar de gevangenen werden ontzet door het Rode Kruis. „Er waren er met minder geluk. Die werden van Omarska vervoerd naar de Koricanske-klif, op de verderop gelegen berg Vlasic. Daar duwden Serviërs ze over de rand, de afgrond in.”

Hukanovic woont weer in de buurt van Omarska, in de Servische Republiek. „Een republiek gedrenkt in bloed. Niet míjn republiek. Maar dit is wel mijn geboortegrond.”

Toen hij jaren geleden door het Joegoslavië-tribunaal als getuige werd opgeroepen viel de naam van Krle. „Ik heb de rechters verteld over mijn herinneringen aan een nacht in Omarska toen we door de kampleiding uit onze slaap werden gehaald. ‘Asef Kapetanovic, spullen pakken en meekomen!’ werd er geschreeuwd. Iedereen wist meteen hoe het met Asef zou aflopen. In plaats van Asef ging een andere gevangene, dokter Nenad Sadikovic, naar buiten. We konden horen hoe de dokter buiten uitvoerig sprak met kampbewaarder Krle. Nenad kwam terug en zei: ‘Asef, je kunt blijven’.”

Een paar kilometer verderop in een huis over het spoor, in de drassige velden bij Omarska, krabt Krle nerveus aan zijn gespierde bovenarm. Van de Omarska-groep werd Krle het lichtst gestraft door het tribunaal. Of Rezaks getuigenis de rechters heeft beïnvloed betwijfelt hij. „Maar hij heeft het gedaan, dat zal ik nooit vergeten.”

Dat Rezak de Servische Republiek veracht kan Krle na alles wat er is gebeurd wel begrijpen. Tegelijk hoopt hij op wederzijds begrip. „Naar Sarajevo ga ik niet meer. Dat is een zusterstad van Teheran geworden, met fanatieke imams en vrouwen met hoofddoekjes. Alleen in onze Republiek voelen we ons veilig. Breek je die af, dan komt er oorlog.”