Vrij om te geloven in Helatrobus en wiet

Wat is vrijheid? Die vraag hing als een filosofische mistbank boven de televisie. Het wachten was op een opklaring.

Terwijl de Amerikaanse presidentskandidaat Barack Obama het massaal uitgelopen publiek in Berlijn herinnerde aan de strijd voor vrijheid die in deze stad was gestreden, waren we op Nederland 2 getuige van een soortgelijk gevecht. Netwerk zond delen uit van de BBC-reportage Scientology and me van de Britse verslaggever John Sweeney, die de ware aard van de beruchte Scientology Kerk probeert te ontrafelen: is het een legitieme religie, waarin miljoenen mensen vrijwillig hun geluk hebben gevonden, of is het een sekte die haar leden brainwasht, afperst en vervreemdt van hun dierbaren?

Sweeneys zoektocht bracht hem meermaals in aanvaring met Tommy Davis – een Scientology-woordvoerder die niet wilde dat de BBC kritische geluiden over zijn kerk zou ventileren en daarom eigenhandig bijna alle interviews met critici kwam saboteren. De kijker kreeg een steeds hoger oplopend conflict te zien tussen twee machthebbers: een verslaggever van een groot mediaconcern die onraad rook en zijn journalistieke vrijheid claimde om de waarheid over deze ‘kerk’ boven tafel te krijgen en een hooggeplaatst leider van een geloof met meer dan acht miljoen aanhangers die beschimping voorzag en vrijheid van godsdienst eiste voor het belijden van zijn waarheid.

Tja, wat is wijsheid?

Is een mens vrij wanneer hij zich volledig verliest in een aan de hersenspinsels van een sciencefictionschrijver ontsprongen wereldbeeld dat voorschrijft dat al het leed op aarde hierheen is gebracht door buitenaardse wezens afkomstig van een buitenaardse dictatuur genaamd Helatrobus? En hoeveel verschilt dat eigenlijk van hen die geloven dat de mens geschapen werd uit een hoopje stof en een rib? Of is een mens pas vrij als hij kritische vragen mag stellen over andermans geloofsopvattingen, omdat hij toevallig vindt dat ze smaken als leugens en rieken naar oplichterij?

Ieder zijn eigen kerk.

Raar maar waar: ook in het KRO-programma Puberruil XL was vrijheid gisteravond de inzet. Niet die van een journalist en een priester, maar van Shalini (16), een Hindoestaanse uit de Haagse Schilderswijk die opgroeit in een strenggelovig gezin waar drank, feestjes en vriendjes uit den boze zijn – en van Jamila (17), een Ghanese uit Haarlem die woont bij haar moeder en die mag doen wat ze wil: ze spijbelt, blowt en chilt vooral heel veel. De meisjes ruilen vijf dagen van leven.

Shalini komt daarbij in aanraking met een dosis vrijheid die ze in eerste instantie duidelijk niet gewend is, maar die haar gaandeweg steeds beter bevalt. Ze drinkt een glaasje, viert feest met jongens in een bubbelbad en bezoekt met de vriendinnen van Jamila een coffeeshop, waar ze had verwacht „allemaal junkies met spuiten” aan te treffen, maar waar het „best gezellig” bleek te zijn. „Ik voel me echt vrij”, zegt Shalini op een gegeven moment zelfs een beetje weemoedig, wanneer ze beseft dat ze dit leventje „erg zal gaan missen” als de vijf dagen voorbij zijn.

Wat Shalini dan nog niet heeft gezien, is de keerzijde van haar nieuwe bestaan: Jamila vertoont na twee dagen al ontwenningsverschijnselen, omdat ze niet mag blowen. Ze is chagrijnig en krijgt geen hap door haar keel. Uit bezorgdheid laat de moeder van Shalini haar tijdelijke dochter maar een jointje roken in de tuin. Pas na een paar flinke hijsen is Jamila weer de oude – helemaal „relaxt”.

Is dat dan vrijheid?

Wat voor de een nog een wereld vol spanning en sensatie is, is voor de ander al uitgedraaid op een lethargisch bestaan. Maar terwijl Shalini zich enorme zorgen begint te maken over wat haar familie ervan zal vinden dat ze een hapje wietchocola heeft gehad, krijgt Jamila steeds meer heimwee: zij heeft thuis niks te doen, maar ook niks te vrezen.

Barack Obama zei gisteren in zijn toespraak dat een mens pas echt vrij is als hij is verlost „van zijn angsten en gebreken”.

Ik geloof dat dat onmogelijk is.