Van herinneren kunst maken

Op de tentoonstelling Manifesta in Italiaans Zuid-Tirol verdiepen de kunstenaars zich in de turbulente, lokale geschiedenis.

Op 21 december 1965 keek een werknemer van de tabaksfabriek in het Italiaanse stadje Rovereto uit het raam en zag dat precies op dat moment de zon achter de bergen zakte. Zij – er werkten voornamelijk vrouwen in de Manifatture Tabacchi – noteerde de tijd (15:38) op de kleine beige tegeltjes van de fabrieksmuur en maakte er een schematisch tekeningetje van een bergkam bij. Exact een jaar later keek ze weer uit hetzelfde raam. Ook toen verdween de zon om 15:38 achter de toppen van de Dolomieten. Weer gingen er twaalf maanden voorbij. Totdat de arbeidster op 21 december 1967 een opmerkelijke ontdekking deed: de zonsondergang was een minuut vervroegd tot 15:37.

Inmiddels is Rovereto’s tabaksfabriek gesloten en de anonieme maakster van de tekening waarschijnlijk allang gepensioneerd of overleden. Dat de notities toch bewaard zijn gebleven is te danken aan Manifesta, de tweejaarlijkse tentoonstelling voor hedendaagse kunst die dit jaar is neergestreken in de meest noordelijke provincies van Italië, Trentino en Alto Adige, beter bekend als Zuid-Tirol. Als expositieruimtes dienen leegstaande gebouwen uit de negentiende en twintigste eeuw – naast de tabaksfabriek ook een Habsburgs fort, een voormalige aluminiumfabriek en een postkantoor – die samen een gebied van zo’n honderdvijftig kilometer bestrijken. Veel van de ruim tweehonderd deelnemende kunstenaars hebben zich door die bijzondere locaties laten inspireren en hun werk speciaal voor deze plekken gemaakt. Zoals het Franse kunstenaarscollectief Claire Fontaine, dat de muurtekening in Rovereto ontdekte, er een foto van maakte en die uitvergroot tegen dezelfde tegelwand heeft gehangen.

Het is een kunstwerk dat tot de verbeelding spreekt. Je ziet het haast voor je, hoe de werkneemster hier, in deze kille, donkere hal, vele uren verlangend naar de bergtoppen heeft gestaard. Hoe ze, jaar in jaar uit, de seizoenen voorbij zag trekken. Het werk iedere dag hetzelfde, het uitzicht steeds een beetje anders. Wat zou ze met haar nauwkeurige observaties hebben willen bewijzen? Dat de dagen steeds korter werden? Dat de bergen langzaam groeiden? En waarom stopte ze er zo abrupt mee, in 1968?

Er zijn veel kunstenaars op deze Manifesta die zich, net als Claire Fontaine, door een toevallige vondst terug de tijd in laten leiden. Herontdekte brieven, opgediepte herinneringen, vergeelde polaroids en afgestofte filmopnames dienen als uitgangspunt voor veel van de getoonde kunstwerken. Die nostalgische rode draad is opvallend, want veel van de deelnemers aan Manifesta zijn de dertig nog maar net gepasseerd. Jonge kunstenaars dus, van wie je zou verwachten dat ze vol zitten met utopische ideeën voor een mooie, nieuwe wereld. In plaats daarvan blijken ze zich massaal vast te bijten in gebeurtenissen die lang voor hun geboorte plaatsvonden.

De Zwitserse kunstenaar Christian Philipp Müller stuitte dit voorjaar tijdens een verkennend bezoek aan de tabaksfabriek toevallig op een tientallen jaren oud pakje sigaretten, met daarop de tekst ‘Appolo Soyuz’. Het doosje, nog netjes in cellofaan gewikkeld, bleek in 1975 speciaal gemaakt ter gelegenheid van de koppeling van een Amerikaans en een Russisch ruimteschip. Nu ligt het objet trouvé als een kostbaar kleinood in een vitrine, omringd door documenten die verslag doen van de historische ontmoeting tussen astronauten en kosmonauten.

Buiten, voor de poort van de tabaksfabriek, staat een enorm schaalmodel van de Apollo Soyuz op een praalwagen. Tijdens de openingsdagen van Manifesta laat Müller de kar, bevolkt door bewoners in klederdracht, heen en weer pendelen tussen de diverse tentoonstellingslocaties. Daarmee memoreert hij een andere historische gebeurtenis, ruim zeventig jaar geleden, toen Italië geregeerd werd door dictator Benito Mussolini. De futuristische kunstenaar Fortunato Depero, inwoner van Rovereto, organiseerde in 1936 in opdracht van de tabaksfabriek een vergelijkbare optocht door de stad. Ook toen werden de in traditioneel kostuum gestoken meisjes van Rovereto door de stad geparadeerd. Alleen had Depero’s praalwagen de vorm van een hoekige tank, zo getuigt een foto in de Manifesta-catalogus. Zijn kunstwerk had meer te maken met fascisme dan met folklore.

Dat de Manifesta-organisatie dit jaar

heeft gekozen voor het grensgebied tussen Oostenrijk en Italië is niet voor niets. Terwijl de meeste biënnales in de eerste plaats dienen als toeristische trekpleister voor een specifieke stad, werd Manifesta begin jaren negentig opgericht met het doel kunst uit verschillende delen van Europa samen te brengen. Als locaties werden vaak steden met een beladen politieke geschiedenis geselecteerd, zoals het Baskische San Sebastian en de Sloveense hoofdstad Ljubljana. Twee jaar geleden zou Manifesta plaatsvinden op Cyprus, maar die editie werd op het laatste moment afgeblazen omdat de Griekse Cyprioten het niet konden verkroppen dat ook op het Turkse deel van het eiland geëxposeerd werd.

Nu wordt Manifesta voor het eerst in een hele streek gehouden, een regio die vooral bij Nederlandse toeristen erg in trek is. Maar ook achter het idyllische ansichtkaartlandschap van Zuid-Tirol, met zijn Heidi-berghutten en zijn bloeiende alpenweides, gaat een roerig grensconflict schuil. Tot 1919 hoorde het gebied bij Oostenrijk, daarna doopte Mussolini het gebied om tot Alto Adige, naar de rivier die er doorheen loopt. Het fascistische regime verbood Duitse les op scholen en liet zelfs Duitse inscripties uit grafstenen hakken. Veel Tirolers vertrokken naar Duitsland, maar sommigen bleven en hielden vast aan hun taal en hun tradities.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Alto Adige officieel tweetalig, maar de spanningen tussen beide bevolkingsgroepen bleven. In de jaren zestig mislukten diverse onderhandelingspogingen van de Verenigde Naties en ging de regio gebukt onder een terrorismecampagne van Duitstalige separatisten. Na de toetreding van Oostenrijk tot de Europese Unie in 1995 verbeterden de verhoudingen aanzienlijk. Wie nu door Zuid-Tirol reist, ziet een fascinerende mengeling van twee totaal verschillende culturen. De rationalistische architectuur van de fascisten staat er zij aan zij met gotische kerken met uivormige torens. In de meeste restaurants kun je zowel gnocchi als schnitzel bestellen. En op straat word je de ene keer met ‘ciao’ en de andere keer met ‘grüss Gott’ begroet.

Met zijn rode bakstenen façade en zijn monumentale glazen toegangspoort is de voormalige aluminiumfabriek in Bolzano dé belichaming van Mussolini’s fascistische idealen. Ex-Alumix, zoals het gebouw nu heet, werd in de jaren dertig gebouwd om Italianen naar het nieuwe grondgebied te lokken – alleen Italiaans sprekenden mochten in de fabriek werken. Duizenden gaven aan die oproep gehoor. En dus groeide het Duitstalige Bozen, dat in 1930 nog geen dertigduizend inwoners telde, in enkele jaren tijd uit tot het Italiaanse Bolzano, een stad van honderdduizend zielen.

Net als in Rovereto hebben ook in Bolzano veel kunstenaars zich laten inspireren door de lokale geschiedenis. Voor de ingang van de aluminiumfabriek staat een reusachtige brug nutteloos te wezen boven een rechthoekige vijver met ongeveer dezelfde afmetingen. Het is een brug die veel te hoog is om overheen te klimmen en die nergens naartoe leidt. De Nederlandse kunstenaar Harold de Bree bouwde hem ter nagedachtenis van de Bailey bridge, een militaire geprefabriceerde brug die in 1943 voor het eerst in deze regio werd ingezet door de geallieerden en een doorslaggevende rol speelde in de strijd tegen de nazi’s. Het zou daarom mooi zijn als De Bree’s houten replica ook in de toekomst op deze plek zou kunnen blijven staan: als een robuust monument voor de vrijheid.

De aluminiumfabriek zelf werd speciaal voor Manifesta voor vier miljoen euro gerestaureerd en zal na de tentoonstelling waarschijnlijk een culturele bestemming krijgen. De hal is immens, en doet denken aan de architectuur van Tate Modern. Maar de kunst verzuipt hier enigszins. Een groot nadeel van deze Manifesta is dat de organisatie voor elke locatie een andere curator heeft aangesteld, wat tot een nogal wisselvallig geheel heeft geleid. De expositie in Bolzano, samengesteld door het Indiase Raqs Media Collective, is verreweg de zwakste poot van het kunstevenement. Te veel politiek correct geneuzel, te veel vergezochte conceptuele ingrepen. Een omgehakte cipres (een werk van Francesco Gennari) ligt op de kale vloer en moet de dood symboliseren. Een compleet lege ruimte (een werk van Teresa Margolles) blijkt te zijn schoongemaakt met het water waarmee in Mexico City ongeïdentificeerde lijken zijn gewassen. Tsja, denk je dan, het zal wel.

De tentoonstelling in Trento,

een pittoresk universiteitsstadje tussen Bolzano en Rovereto in, maakt veel goed. De kunstenaars mochten hier de kantoorvertrekken inrichten van alweer zo’n omstreden gebouw: het plaatselijke postkantoor. Dit Palazzo delle Poste werd in 1929 ontworpen door de futuristische architect Angiolo Mazzoni, dezelfde man die ook het opmerkelijke treinstation van Trento bouwde. Boven de poort begroet een fascistische adelaar de bezoekers, waarna een statige trap leidt naar een hal vol sociaal-realistische muurschilderingen van heroïsche houthakkende mannen.

De Nederlandse kunstenaar Barbara Visser verdiepte zich in de ontstaansgeschiedenis van het gebouw en stuitte in de archieven op een interessante briefwisseling tussen architect Mazzoni en de futurist Depero. Citaten daaruit worden op de muur van het postkantoor geprojecteerd. Hilarisch is het om te lezen hoe Depero dolgraag de glas-in-loodramen van het postpaleis wilde ontwerpen en daarover eindeloos bleef doordrammen bij Mazzoni. Maar ook de lyrische beschrijvingen waarmee de mannen verslag doen van het Italiaanse landschap zijn onthutsend. Die romantische inborst valt nauwelijks te rijmen met de machotaal uit het beruchte Futuristisch Manifest uit 1909. Daarin spraken ze zich in boude stellingen uit voor lawaai, snelheid en destructie.

Dat zoeken naar onverwachte invalshoeken, naar zaken die een nieuw licht kunnen werpen op de geschiedenis, lijkt de belangrijkste drijfveer van de kunstenaars op deze Manifesta. „Wat ik als kunstenaar kan doen”, zegt Visser daarover in de catalogus, „is onverwacht materiaal opgraven; informatie die doorgaans genegeerd of over het hoofd gezien wordt, niet omdat zij niet interessant is, maar omdat zij de bestaande theorieën en ideeën niet onderschrijft. De echte inhoud lees je tussen de regels.”

Een andere beproefde methode van kunstenaars is om de historische informatie rechtstreeks uit de mond van ooggetuigen op te tekenen. Het is opvallend hoeveel getuigenissen er op deze Manifesta te zien en te horen zijn. Zo vroeg Eyal Sivan joden en Palestijnen naar hun herinneringen aan de Israëlische inval van 1948, liet Eyal Weizman hulpverleners vertellen over hun ervaringen tijdens de hongersnood van Ethiopië in 1984 en interviewde Heidrun Holzfeind studenten die in 1968 betrokken waren bij de rellen op de universiteit van Mexico City. Vergeten verhalen worden weer boven tafel gehaald, persoonlijke herinneringen tot kunst verheven. „Voor de jongeren is het geschiedenis”, zegt een van de Mexicaanse vrouwen in de video van Holzfeind. „Maar voor ons is het ons leven.”

Honderd kilometer ten noorden

van Trento ligt, ingeklemd tussen een autosnelweg en een wildstromend riviertje, het dorpje Fortezza – de vierde locatie van Manifesta. Het fort waaraan het plaatsje zijn naam ontleent werd gebouwd aan het begin van de negentiende eeuw, in de nadagen van de Napoleontische oorlogen. Maar gevochten werd er nooit, en dus ziet Fortezza er prachtig ongeschonden uit. Tot enkele jaren geleden diende het pand nog als wapenopslag van het Italiaanse leger, nu is het dankzij Manifesta voor het eerst opengesteld voor het publiek.

Je zou denken dat de aaneengeschakelde gewelfde ruimtes, die ooit plaats boden aan in totaal 79 kanonnen, zich uitstekend zouden lenen als expositieruimte – iedere kunstenaar zijn eigen keldertje. Maar gek genoeg is er in Fortezza geen beeldende kunst te zien. Het curatorenteam van Manifesta vond de ruimtes zo bijzonder dat het de radicale beslissing heeft genomen om alleen werk te laten hóren. Tien schrijvers werden uitgenodigd om hun gedachten over het fort op papier te zetten. Die verhalen weerklinken nu tussen de metersdikke muren.

Het werkt, die visuele adempauze in een tentoonstelling die verder gedomineerd wordt door bewegend beeld. Hier hoef je niet passief achterover te leunen in een donker videozaaltje, maar word je zelf op ontdekkingstocht gestuurd. Je vangt flarden van zinnen op, bijvoorbeeld over de tonnen goud die hier in de Tweede Wereldoorlog werden verborgen, en waarvan een groot deel nooit is teruggevonden. Zou het hier nog steeds ergens liggen?

In een pikdonker hoekje van het fort klinken de woorden van de Britse auteur Glen Neath als een machinegeweer: „intruder – sound of hostile intruder perhaps – is it my breath I can hear loud and clear – giving me away?” Je ziet geen hand voor ogen, maar al je zintuigen staan op scherp. Ruik ik daar het parfum van een andere bezoeker? Hoor ik gemurmel aan de andere kant van de muur? Dit, zo besef je ineens, is hoe de soldaten zich gevoeld moeten hebben, eindeloos wachtend op de vijand die nooit kwam.

De geschiedenis ligt voor het oprapen, zo laten de kunstenaars op deze fascinerende zevende editie van Manifesta keer op keer zien. Ze zit verborgen in het landschap, in de gebouwen, in de mensen. Ze laat zich aflezen aan een krabbeltje op de muur of een gevonden pakje sigaretten. Tenminste, voor wie er oog voor heeft.

Manifesta 7. T/m 2 nov op diverse locaties in Trentino/Zuid-Tirol, Italië. Dagelijks 10-19u, vr 10-21u. Toegang 15 euro. Inl: www.manifesta7.it