Taiqi brengt balans, en het is geen schildpaddendansje

Kungfu en China zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De aloude taoïstische gevechtssport ook wel wushu genoemd, wordt onderverdeeld in interne en externe wushu. Onder de interne soorten vallen de taiqi en qigong die op een vreedzame en meditatieve manier worden uitgevoerd waarbij het reguleren van de qi – de levensstroom – voorop staat. Qigong wordt meestal zittend of staand uitgevoerd, heeft geen ingewikkelde bewegingspatronen en dient grotendeels om de geest tot rust te brengen. De ideeën over interne wushu stammen uit 200 na Chr., toen het kloostertaoïsme zijn intrede deed. De mare gaat dat een monnik het gevecht tussen een slang en een vogel observeerde en een vechtkunst ontwikkelde die daarop was geïnspireerd.

Maar de traditionele vechtsport waarin zwaarden en stokken worden gebruikt (externe wushu) is al veel ouder. Om te kunnen overleven gebruikte de primitieve Chinees houten knuppels en stenen om te jagen en zich te verdedigen.

Lange tijd was het beoefenen van wushu verboden omdat de communisten vonden dat de sterk verouderde vechtkunst een te militaristisch karakter had (wu betekent militair en shu krijgskunst) en daarom in deze moderne tijd als gevechtsmiddel achterhaald was. Bovendien had Mao Zedong iets tegen alles wat riekte naar beheersing en meditatie omdat dat luiheid in de hand zou werken en tot sektevorming zou kunnen leiden.

Nu is wushu in al zijn verschillende verschijningsvormen een van de meest beoefende sporten in China. In sommige Europese landen en vooral in Amerika heeft wushu de laatste jaren aan populariteit gewonnen. Het is dan ook niet voor niks dat deze sport in 2008 tijdens de Olympische Spelen van Peking op het programma staat als demonstratiesport.

Taiqi, een van de twee langzame interne vormen van wushu is vooral populair onder oudere Chinezen. Li Yuqing (66) is zijn hele leven al gefascineerd door de langzame vechtkunst. Iedere ochtend om vijf uur gaat de oud-leraar naar het Tiantanpark om twee uur aan taiqi te doen. Toen Li klein was keek hij de kunst af van zijn grootvader. En die was op zijn beurt weer in de leer geweest bij zijn oom.

„Taiqi is net als het Chinese karakterschrift. Het maakt deel uit van onze identiteit. Taiqi is het zoeken naar de juiste balans tussen rust en activiteit, tussen yin en yang. Dat past helemaal bij mijn levensstijl. Ik wil een vredig, maar actief leven”, legt Li uit.

Li recht zijn rug en met zijn twee handpalmen naar buiten gericht, zakt hij langzaam door zijn knieën. „Met taiqi leer je je geest leeg te maken. Je concentreert je op je bewegingen, je ademhaling en je houding. Door de bewegingen gaat de energie beter stromen, en als je alles om je heen vergeet, word je rustiger en ben je ontspannen. Je bent in feite een krijger die een dier of de natuur imiteert. Wij Chinezen zeggen: zo soepel als een slang, zo lenig als een kat, zo standvastig als een berg en zo flexibel als water.” Li legt uit dat taiqi voor veel Chinezen de basis is voor een gezond en succesvol leven.

Li meent dat meer dan 80 procent van de Chinezen aan taiqi doet, al is hij wel bang dat de jeugd de fakkel niet overneemt. Lachend: „Vooral jongeren denken dat taiqi een soort van schildpaddendansje is. Maar dat is natuurlijk alleen de buitenkant. Van binnen gebeurt er veel mee. Bij taiqi probeer je gebruik te maken van de oorspronkelijke levenskracht die wij als baby wel hadden, maar naarmate we ouder worden kwijtraken.”

Ten slotte geeft hij nog een tip: haal net als een baby diep vanuit je onderbuik adem en krul je tong op tot je gehemelte. „Je produceert dan veel meer speeksel en dat is erg gezond voor je maag en je spijsvertering. Wij Chinezen noemen het ook wel gouden vocht of jadespeeksel. Het brengt je terug naar je oorsprong. Net als taiqi.”

Dit is de laatste aflevering in een serie van foto’s over sport in China, met een verhaal van correspondent Bettine Vriesekoop die eerder als tafeltennisser veel in China is geweest.